Huidopleiding ← Terug naar het overzicht
WerkversieBronnen geraadpleegd 27 t/m 31 juli 2026Niet voor publicatie

Zeggen waarop het rust

Een toetsing van suppletie-advies en supplementverkoop, met de orthomoleculaire praktijk als het best gedocumenteerde voorbeeld.

Een beoordeling van terugkerende uitgangspunten en praktijken, niet van de mensen die ermee werken

Peildatum van de juridische passages: 27 juli 2026. Zie de verantwoording achterin voor de status van elke bron.

Samenvatting op één pagina

Wat er deugt. De tijd die men neemt, het doorvragen op voeding en leefstijl, en het serieus nemen van klachten die niet in een diagnose passen. Daarbij één inhoudelijk correct argument: een gemiddelde kan een sterk effect bij een kleine subgroep uitmiddelen, zeker wanneer een onderzoek daar niet op is ontworpen.

Waar het scharniert. Dat een gemiddelde iets verbergt, is een reden om te zoeken en geen bewijs dat het er is. De vraag is dus met welke methode je vaststelt dat déze persoon tot die groep behoort.

De tests leveren die vaststelling niet. Hetzelfde haarmonster levert bij zes laboratoria uitslagen die een factor tien uiteenlopen en tegenstrijdige adviezen. De IgG-test meet blootstelling, en de subklasse IgG4 juist tolerantie, dus grofweg wat iemand eet en niet wat zij niet verdraagt. Bij levend bloedonderzoek zijn de interpretaties niet gevalideerd en is de reproduceerbaarheid laag. Bij darmflora-onderzoek ontbreekt het normaalbeeld waartegen een uitslag zou moeten worden afgezet. Let op de precisie die hier nodig is: de darm-huid-as bestaat en wordt serieus onderzocht. Het bezwaar geldt niet de as maar de sprong ervandaan naar de bewering dat de darmflora van déze persoon uit balans is en dat een product dat herstelt. Eén vraag legt bij alle vier de zwakke plek bloot: wat zou u anders adviseren als de uitslag omgekeerd was geweest? Naast die tests is er een tweede instrument dat hetzelfde doet zonder laboratorium: de korte online vragenlijst die de invuller aan een traject toewijst. Zij ziet eruit als een beoordeling en werkt als een verkoopstap. En de belofte dat meten weten is, keert de zaak om: wie meet zonder gevalideerd referentiekader ruilt speculatie niet in voor kennis maar voor een getal. En de uitslag blijft zelden een uitslag: zij wordt een dieet. Voor eczeem is onduidelijk of het weglaten van een voedingsmiddel de ernst klinisch relevant vermindert, hoort een eliminatiedieet door een diëtist te worden begeleid vanwege het risico op voedingsdeficiënties, en telt de kans op sociale stigmatisering mee in de afweging. Bij kinderen met matig tot ernstig eczeem luidt het advies bovendien om hoogallergene voeding zoals ei en pinda juist vróég te introduceren. Een uitslag die zegt dat die eruit moeten, wijst dus de andere kant op dan de beroepsgroep, bij de groep met het hoogste risico.

Wat er na de uitslag gebeurt: het dieet. Een testuitslag blijft zelden een uitslag. Zij wordt een advies, en dat advies luidt bij de IgG-test en bij darmflora-onderzoek doorgaans dat bepaalde voedingsmiddelen moeten worden weggelaten. Daarmee verschuift het bezwaar van de test naar de handeling die erop volgt, en die handeling heeft eigen gevolgen. Dit hoofdstuk ging tot hier over of een test meet wat hij zegt te meten. Vanaf hier gaat het over wat er daarna met iemand gebeurt.

Wat de richtlijn erover zegt. Voor eczeem is het onduidelijk of het weglaten van een voedingsmiddel, voor korte of langere tijd, samengaat met een klinisch relevante afname van de ernst. Waar toch tot een eliminatiedieet wordt besloten, hoort een diëtist het te begeleiden, vanwege de kans op voedingsdeficiënties bij een onvolwaardige voeding. De richtlijn noemt daarnaast uitdrukkelijk dat de kans op sociale stigmatisering in de afweging hoort mee te wegen. Dat zijn drie voorwaarden bij een maatregel waarvan het nut niet vaststaat, en zij worden bij een uitslag uit een commerciële test zelden gesteld. De leefstijlmodules van augustus 2026 komen voor beide aandoeningen tot dezelfde slotsom: er is onvoldoende wetenschappelijk bewijs dat een specifiek dieet de ziekteactiviteit beïnvloedt.

En bij kinderen wijst het advies precies de andere kant op. Hier wordt het bezwaar concreet. Kinderen met constitutioneel eczeem hebben een verhoogd risico op het ontwikkelen van een voedselallergie. Juist daarom luidt het advies bij matig tot ernstig eczeem om hoogallergene voeding zoals kippenei en pinda vróég te introduceren, en het eczeem daarnaast goed te behandelen. Een test die zegt dat ei en noten moeten worden weggelaten, adviseert dus het omgekeerde van wat de beroepsgroep adviseert, bij precies de groep waar het risico het grootst is. Dat is iets anders dan een test die niets toevoegt. Dat is een advies dat de verkeerde kant op wijst, met een gevolg dat verder reikt dan de huid.

Wat er in de aanbiedingsteksten staat. Terugkerend zijn een genezingspercentage, de belofte dat medicatie of zalf niet meer nodig is, ervaringsverhalen met naam en diagnose waaronder van jonge kinderen, volledige vooruitbetaling, een intolerantiepanel van honderden voedingsmiddelen, tests met de naam van een aandoening, een eigen supplementenlijn achter de eigen test, en samenwerkingen waarlangs dit via gereguleerde praktijken bij de cliënt komt. Het ernstigst is een ervaringsverhaal waarin iemand vertelt te zijn gestopt met medicatie voor psoriasis en artritis, gepresenteerd als aanrader. Elk van deze elementen raakt een bestaande norm, en het percentage en de succesberichten worden door de beroepscode van de sector zelf verboden. Daarnaast bestaat een tweede aanbod, gericht op professionals: masterclasses en trajecten met het label wetenschappelijk onderbouwd maar zonder vermelding van literatuur of accrediterende instantie, met daarachter een samenwerkingsvorm waarin de praktijk zelf de tests en supplementen gaat afnemen en doorverkopen. Daarmee is de scholing het verkoopkanaal, precies wat een gedragscode in de reguliere zorg zichtbaar moet maken. En bij beide onderzochte aanbiedingen is de eigen ziektegeschiedenis van de aanbieder de methode geworden: het meest overtuigende verhaal dat bestaat, en tegelijk het zwakste bewijs. Drie bezwaren. Het begrip optimum is nooit ingevuld en er is geen methode om het te bepalen. Het eigen kroongetuige-voorbeeld, foliumzuur, bewijst juist het tegendeel. En de onderzochte bewering mag als commerciële claim bij een product niet worden gedaan.

Het juridische deel, waar de grond het hardst is. Een supplement is een levensmiddel, dus wie verkoopt is exploitant van een levensmiddelenbedrijf met registratie-, traceerbaarheids- en meldplichten. De claimregels verbieden uitdrukkelijk de bewering dat gevarieerde voeding tekortschiet, het uitgangspunt dat in de onderzochte bronnen terugkeert, maar wel binnen hun bereik: commerciële uitingen bij een product, niet elke uitspraak in een spreekkamer of een debat. Zij verbieden ook het verwijzen naar de aanbeveling van een individuele beroepsbeoefenaar, dus een naam of foto die bij een claim als persoonlijke aanbeveling werkt. En wie zegt dat een product een aandoening behandelt, brengt een geneesmiddel zonder vergunning in de handel.

Wat er verplicht op de verpakking staat. De wet verplicht de fabrikant om op elk potje te zetten dat het geen vervanging is van gevarieerde voeding. Dat uitgangspunt wordt dus tegengesproken door een zin die verplicht op het eigen product staat.

Hoe het dan wél gaat. In de reguliere zorg begint een aanbeveling bij een uitgangsvraag, een systematische literatuurzoektocht en een beoordeling op vertekening; de zekerheid van het bewijs wordt apart gegradeerd van de sterkte van de aanbeveling; er volgt een commentaarfase en autorisatie; en elk werkgroeplid publiceert zijn belangen over drie jaar terug. Bij de vier tests in dit stuk gebeurt geen van die dingen. Dat is het eigenlijke verschil, en het is een verschil in procedure en niet in overtuiging.

Over het toezicht, en dit is eerlijker dan de gangbare kritiek. Er ís een beroepscode, en die is strenger dan de praktijk eronder, al is zij op de site van de vereniging zelf niet te vinden en circuleren er twee ongedateerde versies op praktijkwebsites, die onderling verschillen. Er is een privaat tuchtcollege, en de code is er een toetsingsnorm. Maar het is geen wettelijk tuchtrecht: de zwaarste sanctie raakt een lidmaatschap en niet het beroep. Uitschrijven is overigens géén uitweg, het reglement houdt iemand aanspreekbaar voor handelen tijdens de inschrijving, maar de sanctie verliest er wel haar bite mee, want doorhaling van een registratie die je al hebt verlaten stelt weinig voor. De gepubliceerde selectie gaat overwegend over gedrag, en er zitten wél inhoudelijke oordelen over behandelmethoden tussen; in de door mij onderzochte uitspraken vond ik geen zaak waarin de juistheid van een commerciële test of productclaim centraal stond.

Over de opleidingen. Elke route naar het lidmaatschap verlangt een medische basis op hbo-niveau, en dat is meer dan veel van de sector vraagt. Maar let op het woord níveau: het gaat om werken en denken óp dat niveau en niet om een door de overheid erkend diploma, en het register rekent daarbij zelfs praktijkuren om in studiepunten. De vakopleidingen zijn echter geaccrediteerd door private instituten die de normen van het hoger onderwijs lenen, niet door de instantie die ze stelt. De vraag is dus niet óf een opleiding erkend is, maar door wie, en of die partij buiten de kring staat die zij beoordeelt.

Waar de onderdelen naar verwijzen. Losse bezwaren blijven losse bezwaren, tot je ze op volgorde legt. De klacht wordt toegeschreven aan iets binnenin; dat vraagt om een test die het aanwijst; die test wijst naar een product; dat product komt vaak van dezelfde partij of van een leverancier waarmee wordt samengewerkt; die partij is opgeleid door een instituut dat is geaccrediteerd door een private beoordelaar die door de beoordeelde wordt betaald; het lidmaatschap loopt via een vereniging waarvan de actuele beroepscode op haar eigen site niet is te vinden; en het toezicht berust bij een tuchtcollege waarvan het reglement wordt vastgesteld door het bestuur van dezelfde stichting. Zes schakels, en elke schakel verwijst naar de volgende. Wat er in die reeks ontbreekt is een partij die erbuiten staat: geen wettelijke accreditatie, geen onafhankelijke validatie van de tests, geen extern vastgesteld tuchtreglement, geen openbare beroepscode met een vaststellingsdatum. Dat is geen verwijt aan een afzonderlijke behandelaar en het zegt op zichzelf niets over haar bedoelingen. Het is een vaststelling over de constructie, en zij is met documenten na te lopen. Het is ook precies wat in de reguliere zorg anders is ingericht, want daar staan de accreditatie, het tuchtrecht, de richtlijnprocedure en de belangenverklaring alle vier buiten de partij die wordt beoordeeld.

De vier onderzochte tests, en waar elk vastloopt

Test Wat er werkelijk wordt gemeten Waar het vastloopt
Haarmineraal­analyse Mineralen in haar Reproduceerbaarheid. Eén monster, zes laboratoria, uitslagen die een factor tien uiteenliepen
IgG-test op voeding Antistoffen die blootstelling aangeven; IgG4 juist tolerantie Klinische validiteit. Meet grofweg wat iemand eet, niet wat zij niet verdraagt
Levend bloedonderzoek Een preparaat dat verandert terwijl men kijkt Reproduceerbaarheid en niet-gevalideerde interpretaties
Darmflora-onderzoek Samenstelling van de darmflora Referentiekader. Er bestaat geen vastgesteld normaalbeeld

Wat er in de reeks ontbreekt

Onderdeel Wat er buiten de kring hoort te staan, en hier ontbreekt
De opleiding Wettelijke accreditatie. Alleen de NVAO kan dat in Nederland doen; de beoordelaar wordt hier door de beoordeelde betaald
De test Onafhankelijke validatie. Geen van de vier doorloopt het beoordelingskader voor diagnostische tests
De beroepscode Een openbare, gedateerde en vastgestelde versie. Aangetroffen zijn twee ongedateerde kopieën op praktijkwebsites
Het tuchtrecht Een extern vastgesteld reglement. Artikel 21 bepaalt dat het bestuur van dezelfde stichting wijzigingen vaststelt

Wat er niet in staat. Geen oordeel over individuele behandelaars, geen schadegevallen, geen pleidooi voor een verbod. Alles is getoetst aan documenten, en achterin staat per bron hoe ver die controle reikte, tot en met de vraag welke artikelen ik zelf heb kunnen openen en welke niet. Waar het beeld ongunstig uitvalt, komt dat door de stukken en niet door de toon.

Voor wie dit is, en hoe je het leest

Dit stuk is geschreven voor drie lezers. Voor de behandelaar die deze vragen in haar spreekkamer krijgt en wil weten wat zij feitelijk kan zeggen. Voor de opleider die uitlegt hoe het veld in elkaar zit. En voor de redactie die overweegt er iets over te schrijven en behoefte heeft aan controleerbare grond.

Het valt uiteen in vijf delen, en zij zijn los van elkaar te lezen.

Deel I gaat over de inhoudelijke uitgangspunten: wat er deugt, waar het scharnier zit, en welke drie bezwaren overblijven. Deel II gaat over de organisatie eromheen: de beroepscode, de opleidingen, en het toezicht. Deel III gaat over het recht, en daar is de grond het hardst. Deel IV gaat over de context en over het gesprek zelf. Deel V gaat over de vraag of samenwerking tussen reguliere en complementaire zorg mogelijk is, en onder welke voorwaarden.

Wat hier wél en niet wordt beoordeeld. Dit is geen beoordeling van iedere vorm van orthomoleculair werken en niet van iedere behandelaar die zich zo noemt. De analyse richt zich op terugkerende inhoudelijke uitgangspunten, op de veelgebruikte commerciële tests, op de claims bij supplementen, en op de organisatorische en juridische kaders daaromheen. Wie die methoden niet gebruikt en niets verkoopt, wordt door het grootste deel van dit stuk niet geraakt.

En wees precies over de reikwijdte per deel, want die verschilt. Dit is in de kern een toetsing van suppletie-advies en supplementverkoop, met de orthomoleculaire praktijk als het best gedocumenteerde voorbeeld. Deel I is de casus: de uitgangspunten zelf, en die zijn specifiek voor deze stroming. Deel II beschrijft een sector met accreditatie, private tuchtcolleges en het woord erkend, en één vereniging is daar het voorbeeld, niet het onderwerp. Deel III geldt voor iedereen die supplementen verkoopt of erover schrijft, ongeacht titel, opleiding of lidmaatschap, met schoonheidssalons, huidtherapeuten, webshops en de uitgever van dit stuk daaronder begrepen.

En houd drie soorten oordelen uit elkaar, want zij lopen in dit veld voortdurend door elkaar en zij volgen niet uit elkaar. Het eerste is de wetenschappelijke vraag: meet of doet een methode wat erover wordt beweerd? Het tweede is de professionele vraag: past de handeling binnen de deskundigheid, de opleiding en het toezicht van degene die haar verricht? Het derde is de juridische vraag: wat mag er bij verkoop, reclame en gezondheidsclaims? Een verboden claim is daarmee niet automatisch onjuist, en een onvoldoende gevalideerde test is niet automatisch verboden. Deel I beantwoordt de eerste vraag, deel II de tweede en deel III de derde.

Wie weinig tijd heeft, leest deel III. Daar staat het materiaal dat het minst van interpretatie afhangt. Wie vooral wil weten hoe het dán moet, leest deel V.

Waarom dit stuk bestaat, en wat het niet is

Dit is geen aanval op een beroepsgroep. Het is een toetsing van terugkerende uitgangspunten en praktijken, langs drie vragen: wat wordt er beweerd, waar rust dat op, en wat mag er wettelijk over worden gezegd.

Dat onderscheid is inhoudelijk relevant. Er werken mensen in dit veld die zorgvuldig zijn, die hun grenzen kennen en die cliënten iets bieden wat zij elders niet krijgen. Er werken er ook die dat niet doen. Wie die twee op één hoop gooit, maakt zichzelf ongeloofwaardig en verliest precies de lezer die hij wil bereiken: de half overtuigde.

Daarom begint dit stuk bij wat er deugt, en het is een langere lijst dan tegenstanders doorgaans toegeven.

Wat hier wordt onderzocht, en waar dat vandaan komt

Voordat de kritiek begint, hoort vast te staan wat er precies wordt bekritiseerd. Anders ontstaat de makkelijkste tegenwerping die er is: dit is niet wat wij beweren, dit zijn uitspraken van losse aanbieders of een historische definitie. Die tegenwerping is terecht zolang zij niet wordt weggenomen, en dat vraagt om onderscheid tussen drie soorten bronnen.

De term zelf is van 1968, toen Linus Pauling hem introduceerde: orthos voor juist of recht, moleculair voor de moleculen betreffende. De Nederlandse beroepsvereniging bestaat sinds 1988 en draagt die term in haar naam. In oudere publieksteksten van en over de vereniging keert daarbij één formulering telkens terug: dat het streven is het lichaam te voorzien van optimale concentraties voedingsstoffen, en dat het ook voor een gezond mens bijna onmogelijk zou zijn die via voeding binnen te krijgen, met foliumzuur als het bekendste voorbeeld. Dat is de stelling waar de drie bezwaren verderop op zien.

Maar wie die formulering vandaag op de site van de vereniging zoekt, vindt haar niet meer. De pagina over orthomoleculaire geneeskunde leidt inmiddels door naar een pagina Voedingsgeneeskunde, waar staat dat deze behandelaar gezondheid ondersteunt en optimaliseert door het zelfherstellend vermogen te beïnvloeden met voeding, suppletie en leefstijlinterventies, en dat hij in Nederland vaak wordt aangeduid als orthomoleculair behandelaar. Het woord is daar van kop naar bijzin verhuisd. Elders op dezelfde site staat het nog gewoon: in de naam van de vereniging, in de aanduiding van het keurmerk, en in de lijst met vakopleidingsrichtingen. Het is dus geen naamswijziging maar een accentverschuiving, en die zit precies op de plek waar de scherpste stelling stond.

Houd daarom drie bewijsniveaus uit elkaar, want zij dragen niet hetzelfde gewicht. Een officiële kernstelling staat in statuten, beroepsprofiel of een vastgestelde definitie. Een institutioneel gedragen praktijk staat in erkende opleidingen, ledeninformatie of officiële scholing. En een losse commerciële uiting staat alleen bij één praktijk, opleider of verkoper. Alleen de eerste twee kunnen dragen wat hierna wordt besproken; de derde is illustratie en geen bewijs over een hele beroepsgroep.

Waar de uitspraken uit dit stuk in dat schema vallen, is als volgt. Het streven naar optimaliseren staat op de huidige site van de vereniging en in haar publieksteksten, en is dus institutioneel gedragen. De centrale rol van suppletie eveneens, zij het voorzichtiger geformuleerd dan eerder: de vereniging noemt suppletie op haar huidige pagina als een van de interventies waarmee de behandelaar gezondheid ondersteunt en optimaliseert. De sterkere formulering dat de therapeutische werking van hoogkwalitatieve voedingssupplementen de kern van het vak zou zijn, trof ik aan in een publiekstekst waarvan ik de vindplaats niet opnieuw heb kunnen bevestigen; die staat daarom niet als vastgestelde uitspraak van de vereniging. De bewering dat normale voeding structureel tekortschiet, staat vandaag niét meer op haar eigen site; die trof ik aan op de pagina van het koepelregister over orthomoleculaire therapie en op websites van praktijken en portalen. Het eerste is een institutionele uiting binnen het bredere private registerstelsel, niet zonder meer een door de vereniging onderschreven standpunt; het tweede is losse commerciële uiting. Categorie één is het in geen geval.

Daarom is de formulering in dit stuk bewust terughoudend. Waar hierna sprake is van uitgangspunten of van een centrale stelling, gaat het om wat in de onderzochte bronnen en praktijken terugkeert, niet om een vastgestelde leerstelling die de vereniging vandaag onderschrijft. Wie wil vaststellen wat zij wél als kernstelling hanteert, moet het beroepsprofiel opvragen. Dat is een ander document dan de beroepscode, en het ligt er anders voor: van de code bestaan twee kopieën op praktijkwebsites die ik heb kunnen lezen, van het beroepsprofiel heb ik geen enkele versie gevonden, niet bij de vereniging en niet elders. En wie wil vastleggen wat er eerder op haar site stond, is aangewezen op een gedateerde archiefversie. Beide staan achterin als openstaand punt.

Deel I De inhoudelijke uitgangspunten

Eerst: wat er wél deugt

De tijd. Een consult van drie kwartier tegenover tien minuten. Dat verschil bepaalt hoe een gesprek verloopt.

Het doorvragen op voeding en leefstijl, waar de reguliere zorg lang geen plek voor had ingericht. De vraag werd niet gesteld, en dus ging de cliënt hem elders stellen. Let op de verleden tijd, want dit is het punt dat het snelst veroudert. Leefstijl is inmiddels onderdeel van de reguliere zorg: vanuit dermatologisch oogpunt zijn sinds 5 augustus 2026 aan de richtlijnen Psoriasis en Constitutioneel eczeem elk vijf modules over leefstijl toegevoegd, er is een netwerk van BIG-geregistreerde zorgprofessionals dat zich hierop richt, en met het Integraal Zorgakkoord heeft leefstijl een vaste plek gekregen in de afspraken over de curatieve zorg. Deel IV werkt dat uit. Wie vandaag zegt dat je hiervoor buiten de reguliere zorg moet, beschrijft de situatie van een paar jaar geleden.

Het serieus nemen van klachten die niet in een diagnose passen. Het antwoord er is niets gevonden is medisch eerlijk en menselijk onbevredigend. Wie daar niets tegenover zet, laat een gat achter.

En het sterkste punt, dat uit de statistiek komt. Zij hebben gelijk dat een gemiddelde het individu kan verbergen. Wanneer honderd van tienduizend deelnemers werkelijk baat hebben, wordt dat effect over de hele groep uitgemiddeld en kan het onder de detectiegrens zakken. Of dat gebeurt, hangt af van de effectgrootte, de uitkomstmaat, de opzet en het onderscheidend vermogen: het is dus geen automatisme. Maar de redenering zelf is correct en zij wordt terecht gebruikt.

Het verklaart ook waarom mensen er komen, en dat is geen dwaling maar een oordeel over wat zij elders misten.

Het verkooppatroon: van klacht naar disbalans

Wie veel websites, folders en socialmediacontent uit deze hoek naast elkaar legt, ziet steeds dezelfde opbouw terugkeren. Niet bij iedere aanbieder, maar vaak genoeg om haar als patroon te beschrijven.

Het begint met een reëel probleem. De cliënt met een chronische klacht voelt zich niet gehoord. Consulten waren kort, de klacht kwam terug, en niemand leek verder te vragen. Dat probleem bestaat werkelijk, en de erkenning ervan is terecht.

Dan volgt de verklaring. De klacht wordt toegeschreven aan een interne disbalans: de darm, de hormonen, verborgen tekorten, een sluimerende ontsteking, een toxische belasting. De formulering is steeds dat de reguliere zorg het symptoom bestrijdt terwijl hier de oorzaak wordt aangepakt, van binnenuit. Vaak wordt daarbij naar onderzoek verwezen, en dat onderzoek bestaat meestal ook. Alleen beantwoordt het vrijwel altijd een andere vraag, namelijk of er een verband bestaat, en niet of een test dat verband bij deze persoon kan aanwijzen of dat behandeling ernaar de uitkomst verbetert.

Dan wordt de test onmisbaar. Want wie zegt dat de oorzaak in een individuele disbalans ligt, moet die disbalans bij dit individu kunnen vaststellen. Zo krijgt het laboratoriumonderzoek zijn centrale plaats in het aanbod: de uitslag maakt het verhaal persoonlijk en geeft het een objectief aanzien.

En dan sluit de cirkel. De uitslag mondt uit in een persoonlijk plan, het plan in supplementen, en die zijn niet zelden verkrijgbaar bij dezelfde partij die de test aanbood. Verhalen van cliënten die na jaren eindelijk opknapten dienen als bewijs dat het werkt. Dat zijn ervaringen, en ervaringen zijn geen werkzaamheidsonderzoek; wie stopt met roken of begint met een effectief geneesmiddel kent zulke verhalen ook.

Dit patroon is retorisch sterk, juist omdat elke stap op zichzelf redelijk klinkt. Maar de bewijslast zit niet aan de uiteinden. Dat cliënten zich gehoord willen voelen staat vast, en dat er onderzoek naar deze verbanden bestaat ook. De onzekerheid zit in het midden: bij de stap van een algemeen verband naar deze persoon, en die stap moet een test leveren. Daarmee is de vraag naar de kwaliteit van die tests geen zijpad maar de dragende vraag van het hele aanbod. Daarover gaan de volgende hoofdstukken.

Hoe dat patroon tegenwoordig is verpakt. De opbouw hierboven is de inhoud. Daarnaast is er een vorm, en die is de laatste jaren zichtbaar geprofessionaliseerd. Waar het aanbod vroeger uit consulten bestond, bestaat het nu uit producten die op elkaar volgen. Het begint met een herkenbare vraag die het probleem in één zin samenvat, vaak in de tweede persoon en vaak met de suggestie dat de huid iets vertelt wat nog niet is uitgelezen. Daarna volgt een korte vragenlijst, soms binnen een minuut in te vullen, die uitmondt in het traject dat bij de invuller past. Het aanbod daarachter is gesegmenteerd naar klachtbeeld en naar levensfase, zodat vrijwel iedereen ergens in past.

Wat die vragenlijst is, en wat zij niet is. Dit is het punt waarop de vorm inhoudelijk wordt. Een vragenlijst van minder dan een minuut kan geen gezondheidstoestand beoordelen; daarvoor is zij te kort en zijn haar vragen niet gevalideerd. Wat zij wel doet, is de invuller toewijzen aan een product. Zij ziet eruit als een beoordeling en werkt als een verkoopstap. Dat is dezelfde constructie als bij de tests hierboven, alleen zonder laboratorium: iets wat lijkt vast te stellen wat er met jou aan de hand is, bepaalt in werkelijkheid welk traject je koopt. En omdat de uitkomst persoonlijk aanvoelt, krijgt het volgende aanbod het aanzien van maatwerk. Wie zo’n instrument gebruikt, doet er goed aan erbij te zetten wat het is: een hulpmiddel om het aanbod te kiezen, en geen beoordeling van gezondheid.

En hetzelfde patroon richt zich op de professional. Naast het aanbod aan cliënten bestaat een tweede trechter, met de behandelaar als klant. Ook daar is het aanbod opgeknipt in opeenvolgende producten: een e-book of gratis kennismaking, dan een masterclass, dan een opleiding, dan een test of instrument, en ten slotte een samenwerkings- of implementatietraject waarin de methode in de eigen praktijk wordt ingevoerd. Aanbieders beschrijven die omslag zelf ook zo, als het uiteenleggen van één groot aanbod in losse stappen waar de klant logisch doorheen beweegt. Als commerciële opzet is daar niets mis mee, en in andere sectoren is het gebruikelijk. Wat het hier bijzonder maakt, is wat er wordt verkocht: een manier van denken, beslissen en behandelen bij mensen met klachten. Daarmee wordt de professional die het traject afneemt zelf de volgende schakel, en verkoopt hij aan zijn cliënt door wat hij zelf heeft gekocht. De vraag uit het vorige hoofdstuk keert daarmee één niveau hoger terug: wie heeft de inhoud van dat traject beoordeeld, en staat die partij buiten de kring die zij beoordeelt.

Vier dingen die in de aanbiedingsteksten terugkeren. De trechter hierboven gaat over de vorm. De teksten waarmee die trechter wordt gevuld, bevatten daarnaast vier terugkerende elementen die elk een bestaande norm raken. Zij worden hier per element beschreven, met de norm erbij, omdat zij bij meerdere aanbieders in vrijwel dezelfde bewoordingen zijn aangetroffen.

Een genezingspercentage. Aanbiedingen noemen een cijfer: een verbetering tot een bepaald percentage binnen een aantal maanden, of een aandeel van de deelnemers dat na afloop klachtenvrij zou zijn. Zulke cijfers komen niet uit onderzoek maar uit de eigen praktijk, en meestal ontbreekt elke opgave van hoe zij zijn gemeten, bij hoeveel mensen, met welke uitkomstmaat en hoe lang gevolgd. Dat is niet alleen wetenschappelijk zwak. De beroepscode die in dit veld het meest wordt aangehaald bevat een uitdrukkelijk verbod dat hier precies op past: de behandelaar onthoudt zich van het maken van reclame voor specifiek door hem behaalde genezingsresultaten, uitdrukkelijk aangeduid als succesberichten, of voor te genezen ziekten. Diezelfde code voegt daaraan toe dat moet worden vermeden dat het beeld bij het publiek vertekent doordat zaken uit hun verband worden gerukt of te veel nadruk krijgen. Wie zo’n percentage voert, handelt dus in strijd met de eigen code, en niet met een regel van buitenaf.

De belofte dat medicatie niet meer nodig is. In aanbiedingen die zich op kinderen met eczeem richten keert de formulering terug dat hormoonzalf niet langer nodig zal zijn, waarbij het advies van de arts om die zalf op te hogen wordt neergezet als een teken dat de reguliere weg tekortschiet. Dit is het punt waar het bezwaar van commercieel naar inhoudelijk verschuift. Lokale corticosteroïden zijn de hoeksteen van de behandeling van constitutioneel eczeem, en juist bij matig tot ernstig eczeem bij kinderen is adequate behandeling van belang, mede omdat deze groep een verhoogd risico op voedselallergie heeft. Het afraden van een algemeen aanvaarde behandeling, of het niet of niet tijdig inzetten daarvan, valt onder wat de artsenfederatie uitdrukkelijk als schade aanmerkt; hetzelfde geldt voor het ontkrachten van op reguliere wijze tot stand gekomen bevindingen. Voor wie geen arts is, geldt de norm uit de Wkkgz: zorg die buiten noodzaak niet leidt tot schade of een aanmerkelijke kans daarop. Een belofte dat de zalf kan worden losgelaten is precies zo’n aanmerkelijke kans.

Ziektegeschiedenissen als reclame, ook van kinderen. Aanbiedingen tonen ervaringsverhalen met voornaam, leeftijd en diagnose, en bij kinderprogramma’s gaat het om kinderen van twee, drie en zes jaar. Drie dingen lopen hier door elkaar. Het zijn succesberichten, en dus valt het onder hetzelfde verbod uit de beroepscode. Het zijn gezondheidsgegevens van een minderjarige, een bijzondere categorie onder de privacyregels, gepubliceerd op een commerciële pagina en met toestemming van een ouder die tegelijk klant is. En het zijn ervaringen, wat iets anders is dan werkzaamheidsonderzoek: eczeem bij jonge kinderen kent een wisselend beloop en verbetert bij een deel vanzelf, zodat verbetering tijdens een traject niet laat zien dat het traject de oorzaak was.

Vooruitbetaling van het hele traject. Trajecten worden aangeboden tegen een vast bedrag dat voorafgaand aan of bij het eerste consult volledig moet worden voldaan, waarbij laboratoriumonderzoek en supplementen daar nog bovenop komen. Dat wringt met een regel die in dezelfde beroepscode staat: de cliënt kan de behandeling te allen tijde stopzetten. Wie vooraf voor maanden heeft betaald, kan dat formeel nog steeds, maar de drempel om het te doen is met het bedrag meegegroeid. Bij een traject waarvan het nut niet vaststaat, is dat geen bijzaak maar het punt waarop het financiële belang en het belang van de cliënt uit elkaar lopen.

Meten is weten, als belofte. Een terugkerende formulering luidt dat laboratoriumonderzoek een einde maakt aan speculatie en objectieve informatie geeft over de eigen gezondheid. Dat is geen commerciële overdrijving maar een uitspraak over kennis, en juist daarom de meest misleidende zin in dit hele veld. Een uitslag is pas objectief als de test doet wat hij zegt te doen, en dat is precies wat bij de hier onderzochte methoden niet is aangetoond. Wie meet zonder gevalideerd referentiekader, ruilt speculatie niet in voor kennis maar voor een getal. Een getal voelt objectiever dan een vermoeden, en dat is het probleem: de vorm van zekerheid zonder de inhoud ervan. Het aanbod is bovendien vaak thuis af te nemen, waardoor ook de laatste beroepsmatige beoordeling van de monsterafname wegvalt.

Een panel van honderden voedingsmiddelen. De intolerantietest wordt aangeboden als een meting van de reactie op honderden voedingsmiddelen tegelijk, in aangetroffen aanbiedingen bijvoorbeeld honderdvijfennegentig. Dat is dezelfde IgG-methode als hierboven, en dus dezelfde tekortkoming: gemeten wordt blootstelling, en de subklasse IgG4 juist tolerantie. Maar de schaal voegt er iets aan toe. Wie honderdvijfennegentig voedingsmiddelen test, vindt bij vrijwel iedereen een reeks verhogingen, en die reeks wordt de lijst met wat eruit moet. Zo ontstaat langs statistische weg een dieet, bij iemand bij wie geen enkele voedselovergevoeligheid is vastgesteld. De bezwaren tegen eliminatiediëten uit het vorige hoofdstuk gelden dan onverkort, en zij gelden voor een langere lijst dan een arts ooit zou opstellen.

Tests met de naam van een aandoening. Onderzoeken worden aangeboden onder de naam van de klacht: een test voor acne, een test voor eczeem. Dat is niet zomaar een handelsnaam. Een test die de naam van een aandoening draagt en belooft te achterhalen waar die vandaan komt, presenteert zich als diagnostiek voor die aandoening, en dat is iets anders dan een leefstijlinventarisatie. Hier raakt het aan de grens uit het juridische deel: het beoordelen van iemands gezondheidstoestand, en de vraag wie zich daarmee mag bezighouden. Voor de cliënt telt vooral dat de naam de indruk wekt dat de uitkomst de oorzaak van haar aandoening aanwijst, terwijl geen van deze onderzoeken die stap kan zetten.

Een eigen productlijn achter de eigen test. Het belangenconflict dat eerder is beschreven, bereikt zijn scherpste vorm wanneer de aanbieder niet alleen de test en het advies levert, maar ook een eigen supplementenmerk voert en een eigen webshop. Dan bepaalt dezelfde partij of er iets aan de hand is, wat eraan gedaan moet worden, welk product dat is, en wat het kost. Dat is geen verwijt over intenties; het is een beschrijving van de constructie. In de reguliere zorg bestaan vergelijkbare verstrengelingen ook, maar daar bestaan regels die ze zichtbaar moeten maken, en het ontbreken van zulke regels is hier juist het punt.

Ervaringsverhalen waarin iemand met medicatie is gestopt. Van alle aangetroffen elementen is dit het ernstigste. Onder de ervaringsverhalen bevinden zich teksten waarin iemand vertelt te zijn gestopt met zware medicatie voor psoriasis en artritis, en dat als aanrader presenteert voor wie verder wil kijken dan medicatie. Wie zo’n verhaal op zijn verkooppagina plaatst, gebruikt het staken van een behandeling als aanbeveling. Bij psoriasis met gewrichtsontsteking is dat geen kwestie van huid: onvoldoende behandelde artritis psoriatica kan tot blijvende gewrichtsschade leiden, en die schade is niet terug te draaien. Het afraden van, of het niet tijdig inzetten van, algemeen aanvaarde behandeling valt onder wat de artsenfederatie uitdrukkelijk als schade aanmerkt; voor wie geen arts is geldt de Wkkgz-norm van een aanmerkelijke kans op schade. En de beroepscode van deze sector verbiedt reclame met genezingsresultaten hoe dan ook. Dit is dus niet één norm die wordt geraakt, maar drie tegelijk.

En de gereguleerde beroepsgroep als afzetkanaal. Aanbiedingen aan professionals vermelden samenwerkingen met tientallen dermatologen, huidtherapeuten en salons, waarbij die praktijken hun klanten daarnaast van binnenuit gaan behandelen op basis van laboratoriumonderzoek. Daarmee komt de constructie op een plek waar zij het meeste gewicht krijgt. Een cliënt die bij een BIG-geregistreerde of een geregistreerde huidtherapeut een test aangeboden krijgt, gaat er redelijkerwijs van uit dat die test aan de maatstaven van dat beroep voldoet. Voor de huidtherapeut of de arts is dit dus geen marketingvraag maar een vraag over de eigen professionele standaard, en over wat zij aan haar cliënt heeft toe te lichten wanneer die standaard en het aanbod uiteenlopen.

De nascholing, en waarom die apart bespreking verdient. Tot hier ging het over wat aan de cliënt wordt verkocht. Het aanbod aan professionals verdient een eigen behandeling, omdat het niet één praktijk raakt maar er tientallen tegelijk verandert. Masterclasses, e-boeken en trajecten worden aangeboden aan schoonheidsspecialisten, huidtherapeuten en artsen, met daarachter een samenwerkingsvorm waarin die praktijken hun eigen klanten van binnenuit gaan behandelen op basis van laboratoriumonderzoek. Wie de scholing afneemt, wordt daarmee afnemer van de tests en van de supplementen, en verkoopt beide door aan de eigen cliënt.

Wetenschappelijk onderbouwd, als kenmerk naast de stroming. In aanbiedingen staat wetenschappelijk onderbouwd als eigenschap van de scholing, doorgaans direct naast orthomoleculaire benadering en praktische toepasbaarheid. Die twee staan daar als gelijkwaardige kenmerken, terwijl het eerste een bewering is die moet worden getoond en het tweede een keuze voor een stroming. Bij scholing die de naam wetenschappelijk voert, hoort per onderdeel de gebruikte literatuur, de mate van zekerheid van dat bewijs, en de vermelding wie het heeft beoordeeld. Ontbreekt dat, dan is het woord een verkoopargument en geen eigenschap. Dat is dezelfde vraag als bij het woord erkend uit het vorige deel, één laag hoger gesteld.

Accreditatie, en het verschil met een cursus. Voor gereguleerde beroepen loopt nascholing langs een accreditatiesysteem waarin een partij buiten de aanbieder de inhoud beoordeelt en punten toekent. Bij het hier aangetroffen aanbod wordt geen accrediterende instantie genoemd, geen puntentoekenning en geen beoordelingscommissie. Dat mag; scholing hoeft niet geaccrediteerd te zijn. Maar dan is het geen nascholing in de betekenis die een geregistreerde beroepsbeoefenaar eraan geeft, en is het verstandig dat onderscheid in de aanbieding te maken in plaats van het aan de koper te laten.

En scholing is hier zelf het verkoopkanaal. Dit is het punt waarop het van vorm naar norm gaat. In de reguliere zorg bestaat een gedragscode voor de omgang tussen leveranciers en beroepsbeoefenaren, en de reden daarvoor is bekend: scholing die door een leverancier wordt gegeven of betaald, beïnvloedt wat er daarna wordt geadviseerd. Daarom worden financiering, sprekersvergoedingen en productbelangen bij nascholing zichtbaar gemaakt en soms gescheiden. In de hier beschreven constructie ontbreekt die scheiding niet per ongeluk; zij is het bedrijfsmodel. De scholing leidt naar de test, de test naar het advies, en het advies naar het supplement, en alles komt van dezelfde partij. Dat wordt niet verborgen. Het staat er, en het wordt als voordeel aangeboden.

Wat dat betekent voor wie de scholing afneemt. Voor de huidtherapeut, de schoonheidsspecialist of de arts die zo’n traject overweegt, is dit geen commerciële afweging maar een vraag over de eigen professionele standaard. Een cliënt die bij een geregistreerde praktijk een darmflora-onderzoek, een intolerantiepanel of een hormoononderzoek in speeksel aangeboden krijgt, gaat er redelijkerwijs van uit dat die test aan de maatstaven van dat beroep voldoet. De praktijk leent haar gezag aan de test, en niet omgekeerd. Wie de test aanbiedt, neemt daarmee de vragen uit het beoordelingskader hierboven over: meet hij betrouwbaar, geeft hij bij herhaling dezelfde uitslag, is er een gevalideerd referentiekader, hangt de uitslag samen met de toestand, en leidt het gebruik tot betere uitkomsten. Diezelfde overname geldt voor de supplementen die daarop volgen, en voor de eliminatiediëten die eruit voortkomen.

De eigen genezing als methode. Er is nog iets dat bij beide onderzochte aanbiedingen terugkeert en dat structureel is in plaats van commercieel. De aanbieder vertelt haar eigen ziektegeschiedenis: jarenlang klachten, vergeefse bezoeken aan huisarts en dermatoloog, zalven die niet hielpen, en dan de ontdekking dat het van binnenuit komt, gevolgd door herstel binnen enkele maanden. Die geschiedenis is vervolgens de methode: wat bij haar werkte, wordt aangeboden aan anderen. Dit is het meest overtuigende verhaal dat bestaat, en tegelijk het zwakste bewijs. Het is niet te weerleggen, want het is werkelijk gebeurd. Maar één beloop is geen onderzoek: bij acne en eczeem wisselt de ernst vanzelf, mensen veranderen gelijktijdig meerdere dingen, en wie herstelde vertelt het verhaal terwijl wie niet herstelde uit beeld verdwijnt. De stap van ik ben hiermee beter geworden naar dit is een behandeling, is dezelfde stap die de tests hierboven niet kunnen zetten, alleen dan zonder laboratorium.

De darm-huid-as bestaat. De beschuldiging niet. Van alle uitgangspunten in dit veld verdient deze de zorgvuldigste behandeling, omdat een te snelle afwijzing hier aantoonbaar onjuist zou zijn. Er wordt serieus onderzoek gedaan naar samenhang tussen darm en huid, ook binnen de dermatologie, en er zijn aanwijzingen die verder onderzoek rechtvaardigen. Wie zegt dat het geheel verzonnen is, heeft ongelijk, en verliest daarmee terecht het gesprek.

Waar het misgaat, is de sprong. Het bezwaar zit niet in de as maar in wat ermee wordt gedaan. Van de vaststelling dat er een samenhang bestaat, naar de bewering dat de darmflora van déze persoon uit balans is en dat een bepaald product dat herstelt, liggen meerdere stappen: dat de afwijking bij deze persoon meetbaar is, dat de gemeten afwijking de klacht verklaart, en dat de voorgestelde interventie die afwijking corrigeert met een betere uitkomst tot gevolg. Geen van die stappen is gezet. De as wordt zo van een onderzoeksgebied tot een beschuldiging aan het adres van de darm van de cliënt, en die beschuldiging draagt de rekening.

Het ontbrekende normaalbeeld. De kern van het bezwaar tegen de commerciële darmflooratest is dat er geen vastgesteld normaalbeeld bestaat. Bij een bloedwaarde is bekend wat een gezonde spreiding is, omdat die bij grote aantallen mensen is bepaald. Bij darmflora is die referentie er niet: de samenstelling verschilt tussen personen, verandert met het voedingspatroon van de afgelopen week, en wordt beïnvloed door eerdere antibioticakuren en door de plaats waar iemand woont. Een uitslag met te veel van het een en te weinig van het ander veronderstelt een norm die niet is vastgesteld. Daarmee valt deze test op de derde trede van het beoordelingskader hierboven, en komt hij aan de vierde en vijfde niet toe.

En het advies dat eruit komt. De sleutelvraag legt ook hier de zwakke plek bloot. Wat zou er zijn geadviseerd zonder deze test? In de aangetroffen adviezen komt het neer op meer vezels, meer variatie, minder alcohol en beter slapen, aangevuld met een reeks supplementen. Het eerste deel is het algemene advies dat zonder enige test gegeven had kunnen worden. Het tweede deel is wat de test rechtvaardigt, en juist daarvoor is de onderbouwing het dunst: de richtlijnmodule van augustus 2026 adviseert probiotica niet als behandeling van eczeem, met een bewijskracht die als laag tot zeer laag wordt beoordeeld.

Waar de redenering scharniert

Daar draait het om:

Dat het gemiddelde iets verbergt, is geen bewijs dat het er bij deze persoon is. Het is een reden om te zoeken, niet om aan te nemen.

En dan de vraag die volgt: met welke methode stel je vast of iemand tot die honderd behoort? Daar begint het probleem. De methoden die daarvoor in de praktijk worden ingezet zijn de haarmineraalanalyse, de IgG-test op voeding, het levend bloedonderzoek en de commerciële darmfloratest, en geen van de vier levert die vaststelling.

De redenering is dus juist tot precies het punt waarop zij tot handelen zou moeten leiden, en daarna niet meer.

De vier onderzochte tests

Het scharnier hierboven eindigt bij een vraag: met welke methode stel je vast dat deze persoon tot de kleine groep behoort die baat heeft? Dat is geen retorische vraag, want er wordt in de praktijk wel degelijk getest. De methoden zijn alleen niet wat zij lijken.

Eerst het kader waarlangs een diagnostische test hoort te worden beoordeeld, want dat is een ander kader dan dat van de richtlijnontwikkeling verderop. Een test doorloopt zelf geen richtlijnprocedure; een test wordt beoordeeld op vijf achtereenvolgende vragen. Meet het laboratorium technisch betrouwbaar wat het zegt te meten: de analytische validiteit. Geeft hetzelfde monster opnieuw dezelfde uitslag: de reproduceerbaarheid. Bestaan er gevalideerde referentiewaarden om die uitslag tegen af te zetten. Hangt de uitslag aantoonbaar samen met de toestand die men ermee zegt vast te stellen: de klinische validiteit. En leidt het gebruik ervan tot betere beslissingen of uitkomsten: de klinische bruikbaarheid. Pas als die vijf zijn beantwoord, komt de vraag of een beroepsrichtlijn de test aanbeveelt.

Elk van de vier valt op een andere trede van die ladder. De haaranalyse struikelt over reproduceerbaarheid en referentiekader. De IgG-test heeft analytische validiteit, er wordt werkelijk een antistof gemeten, maar mist de klinische validiteit: de uitslag hangt niet samen met wat men ermee zegt vast te stellen. Het levend bloedonderzoek faalt op reproduceerbaarheid. En de darmfloratest heeft geen bruikbaar referentiekader en daarmee geen aantoonbare klinische bruikbaarheid. Dat is preciezer dan zeggen dat ze alle vier niet deugen, en het maakt zichtbaar waar bij elk het probleem precies zit.

Ze verdienen ieder een eigen behandeling, omdat ze op verschillende manieren falen. De eerste levert uitslagen die tussen laboratoria te sterk uiteenlopen om er een individuele voedingsstatus uit af te leiden, de tweede meet wél iets maar niet wat de uitslag suggereert, de derde levert beelden waarvan de interpretatie niet is gevalideerd, en voor de vierde ontbreekt het gevalideerde referentiekader waartegen een uitslag zou moeten worden afgezet.

De haaranalyse: één haar, zes uitslagen

Hier bestaat een onderzoek waarvan de opzet zo eenvoudig is dat zij zich in één zin laat navertellen. Het betrof één proefpersoon en zes laboratoria, in 2001, dus het beslecht de kwestie niet in zijn eentje, maar het staat niet alleen, want een eerder onderzoek uit 1985 kwam met een strengere opzet tot dezelfde uitkomst.

Onderzoekers namen bij één gezonde vrijwilliger één haarmonster, splitsten dat, en stuurden de delen naar zes commerciële laboratoria die samen negentig procent van de Amerikaanse markt bedienden. Hetzelfde haar, van dezelfde persoon, op hetzelfde moment geknipt.

De conclusie van de auteurs is even kort: deze analyses zijn onbetrouwbaar, en zorgverleners wordt aangeraden ze niet te gebruiken om de voedingstoestand van een individu te beoordelen. En het onderzoek uit 1985 dat hieraan voorafging, was op één punt zelfs strenger van opzet: daarbij gingen haarmonsters van twee gezonde tieners onder valse namen naar dertien commerciële laboratoria, en de gerapporteerde waarden verschilden niet alleen tússen de laboratoria maar ook tussen identieke monsters die naar hétzelfde laboratorium waren gestuurd. Ook toen verschilden de laboratoria van mening over wat normaal heette, gaven zes van hen supplementadviezen die onderling sterk uiteenliepen, en beschreef de auteur de bijgeleverde computerinterpretaties als omvangrijk, bizar en potentieel beangstigend voor patiënten. Zijn conclusie is scherper dan die van 2001: het commerciële gebruik van haaranalyse op deze manier is onwetenschappelijk, economisch verspillend en waarschijnlijk onrechtmatig.

En er is een tegenwerping, die eerlijk gezegd moet worden omdat de sector haar zelf voert. In 2002 verscheen een analyse die stelde dat de wasstap bij de monstervoorbereiding de bron van veel van die variatie was, en dat de laboratoria die niet wassen onderling goed overeenkwamen. Commerciële aanbieders citeren dat tot op de dag van vandaag, en enkele presenteren het onderzoek uit 2001 zelfs als bewijs vóór hun eigen betrouwbaarheid.

Die tegenwerping raakt één van de vier bevindingen en laat de andere drie staan. Zelfs als de wasmethode het verschil in gemeten concentraties volledig zou verklaren, verklaart zij niet dat de laboratoria verschillende referentiewaarden hanteerden, niet dat daardoor bijna elk mineraal bij het ene lab hoog heette en bij het andere normaal of laag, en niet dat zij op grond van hun uitslagen tegenstrijdige voedings- en supplementadviezen gaven. Het meetprobleem is dus betwistbaar; de stap van meting naar advies is dat niet.

Let op wat dit precies zegt, en let ook op wat het níet zegt. Er zijn drie verschillende toepassingen van haaranalyse en zij moeten uit elkaar worden gehouden. In de forensische toxicologie en bij bepaalde blootstellingen is haar een bruikbaar analysemateriaal. In wetenschappelijk onderzoek naar biomarkers wordt eraan gewerkt. Voor die tweede toepassing heb ik geen actuele overzichtsstudie zelf ingezien; in een review van dit stuk is er wel op gewezen dat haar als analysemateriaal mogelijkheden heeft, mits standaardisatie, contaminatiebeheersing, analysemethode en klinische validatie op orde zijn. Die verwijzing is nog niet aan de bron getoetst en staat daarom als opgave van een derde vermeld. Waar het hier over gaat is de derde toepassing: de commerciële haarmineraalanalyse als instrument om bij een individu voedingstekorten vast te stellen en daar een supplementadvies op te baseren. De besproken onderzoeken raken die derde toepassing, en de conclusie luidt dus niet dat haar niets meet, maar dat de stap van een commerciële haaruitslag naar een individuele bevinding en een suppletieadvies voor dit gebruik onvoldoende is gevalideerd: omdat bewerking, ijking en referentiewaarde per laboratorium verschillen. Zonder die stap is de uitslag een getal en geen bevinding.

De IgG-test op voeding: hij meet iets anders dan de uitslag suggereert

Deze faalt op een andere en interessantere manier, want hij meet wél iets.

Antistoffen van de klasse IgG tegen een voedingsmiddel ontstaan juist doordat iemand dat middel regelmatig eet. De aanwezigheid ervan weerspiegelt doorgaans blootstelling, en de subklasse IgG4 wordt in verband gebracht met immunologische tolerantie. Let op de formulering: dat is iets anders dan zeggen dat de test tolerantie méét. Er is geen gevalideerde uitslag die bij deze persoon vaststelt wat zij wel of niet verdraagt. Wat zij niet zijn, is een gevalideerde maat voor intolerantie. Wie veel zuivel eet, heeft daardoor meer antistoffen tegen zuivel.

De uitslag wordt vervolgens gelezen als een lijst met wat iemand niet verdraagt, terwijl zij grotendeels een lijst is van wat iemand eet. Het taakgroeprapport van de Europese allergologen uit 2008 is hierover onomwonden, en het is vrij toegankelijk, dus na te lezen. Het stelt vast dat veel serummonsters een positieve IgG4-uitslag geven zonder bijbehorende klachten, dat er geen overtuigend bewijs is voor histamine-vrijmakende eigenschappen van IgG4 bij de mens, en dat er geén gecontroleerde studies bestaan naar de diagnostische waarde van deze test bij voedselallergie. De aanwezigheid van IgG4 moet volgens het rapport niet worden gezien als een factor die overgevoeligheid veroorzaakt, maar als een indicator van immunologische tolerantie, gekoppeld aan de activiteit van regulatoire T-cellen. De conclusie luidt dat voedselspecifiek IgG4 geen allergie of intolerantie aanduidt maar een fysiologische reactie van het immuunsysteem na blootstelling, en dat de test bij voedselgerelateerde klachten niét zou moeten worden uitgevoerd, niet: met terughoudendheid, maar niet. Het rapport benoemt daarbij zelf de commerciële kant: het spreekt van een groeiende markt. Er bestaat wél goede diagnostiek bij een vermoeden van voedselallergie: een zorgvuldige anamnese, IgE-bepaling en een huidpriktest. Dat is een medisch traject en het hoort bij een arts. Wie de IgG-test afwijst, hoeft de cliënt dus niet met lege handen te laten staan.

Er komt hier een echte laboratoriumuitslag uit, met getallen, en de conclusie die eraan wordt verbonden staat haaks op wat er is gemeten.

Levend bloedonderzoek: het preparaat verandert terwijl je kijkt

Hier wordt de vorm van bloedcellen beoordeeld in een druppel onder een microscoop. Het probleem is dat zo'n preparaat vanaf de eerste minuut verandert door afkoeling en indroging. Wat er na tien minuten te zien is, is deels het gevolg van het kijken zelf. Het zwaarste bezwaar is echter niet dat artefact maar het ontbreken van validatie, en daarvoor bestaat rechtstreeks onderzoek. In 2006 lieten twee ervaren beoordelaars met vergelijkbare scholing, wederzijds geblindeerd, achtenveertig capillaire monsters van vierentwintig patiënten beoordelen. De conclusie: de methode is zeer moeilijk te standaardiseren en de betrouwbaarheid van de diagnostische test is laag. Een eerder onderzoek uit 2005 concludeerde dat donkerveldmicroscopie volgens dezelfde methode geen kanker kon vaststellen. Beide verschenen in tijdschriften voor complementaire geneeskunde: het ontkrachtende bewijs komt hier dus uit het veld zelf.

Daarnaast is er een normatief signaal, en dat komt eveneens uit het veld: de brancheorganisatie voor schoonheidsspecialisten noemt dit quasi-diagnostiek en staat het alleen zeer restrictief toe, binnen de complementaire zorg en zonder diagnose, gezondheidsadvies of claimvorming.

En er zit een tweede laag onder. Bloed afnemen via een venapunctie is een voorbehouden handeling, omdat het een punctie is; een capillaire vingerprik valt daar doorgaans niet onder. Die grens hangt aan bevoegdheid en bekwaamheid, niet aan beroepsgroep.

Het darmflora-onderzoek: het ontbrekende normaalbeeld

Deze verdient de meeste terughoudendheid, want hier is echt onderzoek gaande en het is niet onzinnig.

Het probleem is niet dat de meting niets voorstelt. Het is dat er geen vastgesteld normaalbeeld bestaat waartegen een individuele uitslag kan worden afgezet. Hier ligt het genuanceerder, en dat hoort gezegd: er lóópt serieus onderzoek naar de rol van de darmmicrobiota, ook bij huidaandoeningen. Wat ontbreekt is het referentiepunt. Zonder dat zijn brede commerciële profielen onvoldoende gestandaardiseerd en gevalideerd om er routinematig een individueel behandel- of supplementadvies op te baseren. Dat is iets anders dan zeggen dat de meting niets betekent; het is zeggen dat de stap van uitslag naar advies nog niet gelegd kan worden.

Dat is niet alleen mijn lezing. Een internationale consensusverklaring uit 2025, opgesteld door een panel van negenenzestig deskundigen en gepubliceerd in The Lancet Gastroenterology and Hepatology, stelt dat het bewijs voor de klinische bruikbaarheid van darmmicrobioomonderzoek schaars is, dat commerciële aanbieders tests rechtstreeks aan consumenten verkopen zonder aangetoonde waarde in de klinische praktijk, en dat dit kan leiden tot verspilling van middelen en tot nadelen in de behandeling. De verklaring ontraadt uitdrukkelijk dat een patiënt zonder klinische indicatie zelf zo’n test aanvraagt. Voor deze test past dus geen spot maar een vraag: wat zou er met de uitslag gebeuren, en was dat zonder test anders geweest?

En de vraag die op alle vier past

Die laatste vraag is het bruikbaarste instrument uit dit hele stuk, en hij werkt zonder dat je iets over de test hoeft te weten:

Wat zou u anders adviseren als deze uitslag omgekeerd was geweest?

Blijft het advies hetzelfde, dan heeft de test niets toegevoegd behalve een rekening. Verandert het advies, dan is de vervolgvraag welk onderzoek die verandering rechtvaardigt.

Waar het echt misgaat: de test en de oplossing van dezelfde partij

Tot slot de constructie die over alle vier heen ligt. Een testpakket met een eigen supplementenlijn erachter betekent dat dezelfde partij het probleem vaststelt en de oplossing verkoopt.

Wat die test meet doet er dan minder toe dan wat de opzet doet. Elke uitslag die tot een aankoop leidt, komt van de verkoper. Dat is niet noodzakelijk kwade wil, maar het is een rechtstreeks financieel belangenconflict, en dat vraagt om onafhankelijke validatie, om transparantie en om scheiding van advies en verkoop. Ook in de reguliere zorg kunnen diagnostiek, behandeling en financieel belang overigens binnen één organisatie samenkomen; het verschil is dat daar regels bestaan die dat zichtbaar moeten maken.

Drie bezwaren tegen die uitgangspunten

1. Het begrip optimum is nooit ingevuld

Een terugkerend uitgangspunt luidt dat het lichaam moet worden voorzien van optimale concentraties voedingsstoffen. Maar voor vrijwel geen enkele voedingsstof bestaat een vastgestelde individuele optimale concentratie, en er is geen methode om die bij een persoon te bepalen.

Dat is niet een gat dat nog gedicht moet worden; het is een gat waar de hele constructie op rust. De dosis-responscurve vlakt af rond de aanbevolen hoeveelheid. Zonder ingevuld eindpunt is optimaliseren een richting zonder grens, en dat verklaart waarom er altijd nog iets bij kan.

2. Het vaak aangehaalde voorbeeld werkt tegen de stelling

Foliumzuur wordt aangevoerd als bewijs dat voeding tekortschiet. Maar foliumzuur is juist het schoolvoorbeeld van het tegendeel: een omschreven groep, een venster van enkele weken, een uitkomst die telt. Het laat zien dat gerichte suppletie bij een aanwijsbare groep werkt, en tegelijk hoe specifiek zulke gevallen zijn. Het gaat steeds om een omschreven groep en een omschreven uitkomst: foliumzuur rond de conceptie, vitamine K bij pasgeborenen, vitamine D voor risicogroepen, vitamine B12 bij een plantaardig voedingspatroon, en verder het corrigeren van een vastgesteld tekort, bij malabsorptie of na bariatrische chirurgie. Dat is een lijst met indicaties, geen argument voor suppletie bij mensen met normale waarden.

3. De onderzochte bewering is bij een product wettelijk niet toegestaan

Dit is het bezwaar dat geen kwestie van opvatting is.

De stelling dat het ook voor een gezond mens bijna onmogelijk zou zijn om via voeding voldoende binnen te krijgen, is precies de bewering die bij een voedingssupplement niet mag worden gedaan. Twee bepalingen zeggen dat, en beide zijn woordelijk nagelezen:

Let op het verschil in reikwijdte: de Europese bepaling spreekt van nutriënten, de Nederlandse van microvoedingsstoffen, dus vitaminen en mineralen. De Europese is ruimer en werkt rechtstreeks, dus in de praktijk dekt zij het geheel. En let op wat er in dezelfde bepaling áchter die zin volgt: er kunnen afwijkingen worden vastgesteld voor nutriënten die een evenwichtige, gevarieerde voeding niet in voldoende hoeveelheden levert. Zulke afwijkingen zijn tot op heden niet vastgesteld, dus het verbod geldt onverkort, maar wie de bepaling aanhaalt, hoort die clausule te noemen.

Het gaat hier dus niet om een wetenschappelijk meningsverschil. Zodra de stelling dat gevarieerde voeding in het algemeen tekortschiet, wordt gebruikt om een supplement aan te prijzen, valt zij onder het claimverbod. En dat is precies de reden waarom deze bepaling bestaat: een supplement mag geen tekort suggereren dat er niet is. Of die stelling in een concreet geval commercieel wordt gebruikt, is een vraag naar de feiten, maar zij is de kern van de verkoopboodschap zoals die in folders, webshops en productteksten terugkeert.

Wat er verplicht op de verpakking staat

Bij het nalezen van dat besluit kwam iets naar boven dat sterker is dan het verbod zelf.

Dezelfde bepaling, artikel 6, eerste lid, onder d, schrijft voor dat op de verpakking van elk voedingssupplement een vermelding staat dat voedingssupplementen niet als substituut voor een gevarieerde voeding worden gebruikt.

En de claimverordening voegt daar in artikel 10, tweede lid, onder a, aan toe dat bij elke gezondheidsclaim een bewering hoort waarin wordt gewezen op het belang van een gevarieerde, evenwichtige voeding en een gezonde levensstijl. De toezichthouder geeft er zelfs een voorbeeldzin bij: een gezonde levensstijl en een evenwichtige en gevarieerde voeding zijn belangrijk, en dit voedingssupplement is geen vervanging daarvan.

Zet dat naast elkaar.

In die bronnen staat dat het via voeding vrijwel onmogelijk is om binnen te krijgen wat je nodig hebt. De wet verplicht de fabrikant om op datzelfde potje te zetten dat het geen vervanging is van gevarieerde voeding, en verbiedt hem te beweren dat gevarieerde voeding tekortschiet.

Dat uitgangspunt wordt dus tegengesproken door een zin die verplicht op de eigen producten staat.

Dat is een controleerbaar feit en het is in een gesprek met een cliënt goed bruikbaar.

Eén afbakening hoort daar meteen bij. Dat de wet een commerciële bewering verbiedt, zegt op zichzelf niets over haar wetenschappelijke juistheid: het verbod geldt ongeacht het bewijs. Daarom blijft de afzonderlijke vraag staan waarop deze centrale verkoopboodschap dán wél controleerbaar rust. Op publiekspagina’s, waar de werkwijze wetenschappelijk onderbouwd heet, blijft het daarover stil.

En hoe weet je het dan wél? Hoe een richtlijn tot stand komt

Kritiek op een methode is pas iets waard als je kunt zeggen hoe het dan moet. Daarom hier, kort en controleerbaar, hoe een aanbeveling in de reguliere zorg tot stand komt. Niet omdat dat stelsel volmaakt is, dat is het niet, en daar kom ik op terug, maar omdat het de maatstaf is waaraan het alternatief zich meet zodra het woorden als onderbouwd en wetenschappelijk gebruikt.

Het begint niet bij een overtuiging maar bij een vraag. Een wetenschappelijke vereniging stelt een uitgangsvraag op en formeert een werkgroep, doorgaans multidisciplinair en met patiëntenverenigingen erin. Een medisch informatiespecialist voert een systematische literatuurzoektocht uit: systematisch wil zeggen: van tevoren vastgelegd, herhaalbaar, en niet gestuurd door wat je hoopt te vinden. De gevonden studies worden beoordeeld op risico op vertekening, en waar het kan worden de resultaten samengevoegd in een meta-analyse.

Dan komt de stap die het meest wordt onderschat. Volgens de GRADE-methodiek wordt per uitkomstmaat de zekerheid van het bewijs gegradeerd in vier niveaus: hoog, redelijk, laag en zeer laag. Die gradering zegt niet of iets werkt, maar hoe zeker het is dat de gevonden schatting klopt. Zij wordt verlaagd bij beperkingen in studiekwaliteit, bij inconsistentie tussen studies, bij indirect bewijs, bij onnauwkeurigheid, en bij aanwijzingen voor publicatiebias. Pas daarna volgt de aanbeveling, en die rust op meer dan het bewijs alleen: de balans tussen gewenste en ongewenste effecten, de waarden en voorkeuren van patiënten, en de kosten. Bewijskracht en aanbeveling worden dus uit elkaar gehouden en apart opgeschreven: je kunt een sterke aanbeveling hebben op zwak bewijs, en dat staat er dan bij.

Vervolgens wordt het openbaar gemaakt, en dat is niet vrijblijvend. Er is een commentaarfase waarin het veld mag reageren, de betrokken verenigingen autoriseren de tekst, en de richtlijn komt in een openbare database te staan. Zij is opgebouwd uit modules die afzonderlijk kunnen worden herzien, zodat een verouderd onderdeel niet blijft staan omdat het geheel nog niet toe is aan herziening. Het proces zelf wordt getoetst aan een internationaal instrument voor richtlijnkwaliteit.

En dan de belangen. Er geldt een code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling. Elk werkgroeplid verklaart schriftelijk of het de afgelopen drie jaar directe financiële belangen had, een betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering, of indirecte belangen zoals persoonlijke relaties en reputatiemanagement. Wijzigingen worden aan de voorzitter gemeld, de verklaring wordt tijdens de commentaarfase opnieuw bevestigd, en een overzicht van de gemelde belangen plus het oordeel over hoe daarmee is omgegaan wordt bij de richtlijn gepubliceerd. De ondertekende verklaringen zijn opvraagbaar.

Deze procedure keert in deel V terug, want zij is precies wat de integratieve oncologie wél heeft doorlopen. Leg daar de vier tests uit dit hoofdstuk naast, en het verschil is geen kwestie van toon. Bij geen van vier is een uitgangsvraag geformuleerd, geen systematische zoektocht gedaan, geen risico op vertekening beoordeeld, geen zekerheid gegradeerd, geen commentaarfase doorlopen en geen belangenverklaring gepubliceerd. Wie wil weten wie een reguliere aanbeveling heeft geschreven en welke belangen die persoon opgaf, kan dat opzoeken. Wie wil weten waarop een supplementenprotocol rust en wie eraan verdiende, kan dat niet.

Twee dingen die hier eerlijkheidshalve bij horen. Dit stelsel is niet zuiver: ook in de reguliere zorg beïnvloedt de financier de uitkomst. Een Cochrane-overzicht uit 2017, gebouwd op vijfenzeventig artikelen met in totaal 4583 studies, laat zien dat door de industrie gefinancierd onderzoek systematisch gunstiger uitkomsten en gunstiger conclusies oplevert dan onderzoek met andere financiering. En let op wat de auteurs daaraan toevoegen, want dat snijdt de gebruikelijke weerlegging af: dat verschil is niét te verklaren uit verschillen in methodologische kwaliteit. De vertekening zit dus niet in slordiger onderzoek maar ergens anders: in de vraagstelling, de opzet, de keuze van de vergelijking, de selectieve rapportage. Dat is precies de reden dat die belangenverklaringen bestaan, en het is ook de reden dat een richtlijn nooit een gezagsargument is maar een controleerbaar document. En het tweede: dit is geen bewijsplicht die alleen voor anderen geldt. Ook aan dit stuk kun je de vraag stellen waarop het rust, en de verantwoording achterin is bedoeld om die vraag te kunnen beantwoorden.

Deel II De organisatie eromheen

De beroepscode als toetsingsnorm

Van de code zijn twee tekstuele versies aangetroffen en beide zijn integraal gelezen; welke dat zijn en waar zij staan, komt verderop aan de orde. Een officieel vastgestelde en gedateerde versie is niet gevonden; vraag die vóór publicatie op, zodat de hier geciteerde bepalingen aan een vastgestelde versie hangen. De statuten en het huishoudelijk reglement staan achter het ledendeel en zijn niet openbaar.

Dit is het onderdeel dat in polemieken meestal ontbreekt, en het is het overtuigendst.

De beroepscode van de eigen vereniging bepaalt onder meer dat de behandelaar zich onthoudt van handelingen en uitspraken buiten het terrein van de eigen deskundigheid, dat hij zich onthoudt van reclame met behaalde genezingsresultaten, en dat hij informatie geeft om gevaarlijke keuzes te voorkomen. Let bij die tweede bepaling op de volledige formulering: de code verbiedt reclame voor specifiek door de behandelaar behaalde genezingsresultaten, in de code succesberichten genoemd, óf voor te genezen ziekten. Dat tweede is, in eigen woorden, hetzelfde verbod dat deel III uit het levensmiddelenrecht haalt. De beroepsgroep verbiedt zichzelf dus al wat de wetgever haar ook verbiedt, en zij deed dat eerder.

Wie testpakketten met succesverhalen verkoopt, botst dus niet met een externe criticus maar met de code van zijn eigen vereniging.

Maar wélke code is dit eigenlijk? Die vraag is lastiger te beantwoorden dan zij zou moeten zijn. Er circuleren twee tekstuele versies. De ene, die ik aantrof als pdf op een praktijksite, heet Beroepscode Maatschappij ter bevordering van de Orthomoleculaire Geneeskunde en spreekt consequent van de orthomoleculair behandelaar en de orthomoleculair geneeskundige. De andere, een webversie bij een aangesloten praktijk, heet MBOG beroepscode orthomoleculair zorgverlener en spreekt van de MBOG behandelaar, met een voetnoot die de reikwijdte uitbreidt naar onder meer kPNI, DNA, integrative medicine, functional medicine en leefstijl- en natuurgeneeskundige behandelaren.

Die voetnoot vormt een sterke aanwijzing dat de tweede versie later is opgesteld dan de eerste, omdat zij precies de disciplines accommodeert die de vereniging inmiddels bedient. De eerste líjkt dus van vóór die verbreding te dateren. Hard bewijzen kan ik dat niet: geen van beide draagt een versienummer of een vaststellingsdatum.

En ook de jongste van de twee komt op onderdelen niet meer overeen met de huidige structuur van de vereniging. Daarin worden overtredingen gemeld aan het Tuchtcollege van de MBOG en gaat het bestuur tot maatregelen over. De huidige site verwijst voor klachten en geschillen naar SCAG en voor tuchtrecht naar een instantie buiten de vereniging. De klachtroute die in de code staat beschreven, is dus niet meer de route die de vereniging zelf aanhoudt.

Beide versies zijn inmiddels integraal vergeleken, en dat levert een scherper beeld op dan een verschil in terminologie. De oudere versie bestaat uit twee onderdelen: Algemeen en In relatie tot patiënten. Daar houdt zij op. De jongere versie bevat diezelfde twee onderdelen, in vrijwel dezelfde bewoordingen, en daaromheen een inleiding van twee alinea’s, drie nieuwe onderdelen met de namen Kennis, Gedragsregels en Aansprakelijkheid MBOG, en een voetnoot die de reikwijdte uitbreidt naar de overige disciplines binnen de vereniging.

Dat laatste onderdeel is nieuw, en daarin staat de clausule. In de oudere versie ontbreekt zij volledig, niet in een andere formulering, maar in het geheel niet, omdat het onderdeel waarin zij staat daar nog niet bestond. Hetzelfde geldt voor de interne klachtroute via het Tuchtcollege van de vereniging. De uitsluiting van klachten over niet-geregistreerde praktijken en diagnostiek is dus een látere toevoeging aan deze code, en niet een bepaling die er altijd in heeft gestaan. Wanneer zij is toegevoegd en door wie, valt uit deze twee documenten niet af te leiden: geen van beide draagt een datum.

Twee van die nieuwe onderdelen verdienen aandacht op zichzelf. Het onderdeel Kennis verlangt van de behandelaar voldoende kennis van anatomie, fysiologie, pathologie en van de klinische, fysische diagnostiek, en stelt dat hij een bepaalde geneeskundige basiskennis op hbo- of wo-niveau dient te bezitten. Daar staat de geleende schaal dus in de code zelf: niet een hbo-diploma, maar kennis óp dat niveau. En het onderdeel Gedragsregels opent met de vaststelling dat de behandelaar zich vrijwillig onderwerpt aan de ethische gedragsregels. Dat is geen kritiek van buiten; het is de code die haar eigen karakter benoemt.

En de reikwijdte wordt in deze versie tweemaal ingeperkt, niet éénmaal. Naast de clausule over klachten staat in de inleiding dat het bestuur bij bewezen overtredingen tot maatregelen zal overgaan: voor zover althans de betreffende behandelaar onder de reglementen der MBOG valt. Twee keer dus dezelfde beweging: de norm wordt streng geformuleerd en het bereik ervan wordt in dezelfde tekst begrensd.

En het omgekeerde geldt voor de bepalingen waarop dit hoofdstuk steunt. Die staan in beide versies, woordelijk gelijk: het onthouden van handelingen én uitspraken buiten het terrein van de eigen deskundigheid en bekwaamheid; de plicht informatie te geven om gevaarlijke keuzes van de patiënt te voorkomen; en het verbod op reclame voor behaalde genezingsresultaten of te genezen ziekten, met daarbij de bepaling dat vertekening van de beeldvorming bij het publiek moet worden vermeden doordat zaken uit hun verband worden gerukt of te veel nadruk krijgen. Het argument in dit hoofdstuk hangt dus aantoonbaar niet af van de vraag welke versie geldt. Alleen de clausule doet dat, en die staat daarom als vraag.

Op de huidige website van de vereniging is geen openbaar toegankelijke versie van de beroepscode te vinden. De code wordt daar wél genoemd als document waaraan leden zich moeten houden, naast het beroepsprofiel, de statuten en het huishoudelijk reglement, maar de tekst zelf is niet gepubliceerd. Wat ik wél heb gevonden, kwam langs een omweg. Op 29 juli 2026 leverde een zoekactie twee kopieën op, beide op websites van aangesloten praktijken en niet op die van de vereniging: de oudere als pdf op ankecusters.nl, onder /wp-content/uploads/2020/11/Beroepscode-MBOG.pdf, en de nieuwere als webpagina op praktijkwiersma.com, onder /mbog-beroepscode/. Op de site van de vereniging zelf was op die datum geen gedateerde versie publiek vindbaar. Beide teksten zijn integraal gelezen en met elkaar vergeleken, en de bepalingen die dit hoofdstuk dragen komen er woordelijk gelijk in voor. Maar zij zijn niet door de vereniging gepubliceerd, en een lid of cliënt die de code wil raadplegen komt er alleen via de site van een ander lid. Die verschillen onderling in terminologie en in reikwijdte, en geen van beide bevat een versienummer of een vaststellingsdatum.

Dat is op zichzelf de bevinding: de norm waaraan een lid zich bindt en waarop een cliënt zou moeten kunnen vertrouwen, is niet uit een gezaghebbende bron te halen.

Er is geen wettelijke plicht om een beroepscode te publiceren, en het is dus geen overtreding. Maar het is wél ongebruikelijk, en dat is na te lopen. De KNMG stelt de gedragscode voor artsen als download beschikbaar. De KNMP publiceert de Code van apothekers als pdf. V&VN biedt de beroepscode voor verpleegkundigen en verzorgenden gratis als pdf aan, en daarnaast als app. Er bestaat zelfs een openbaar overzicht van beroepscodes in de zorg waarin ook kleinere paramedische verenigingen staan, huidtherapeuten, podotherapeuten, mondhygiënisten, oefentherapeuten, optometristen, orthoptisten, telkens met een link naar de tekst.

Publiceren is in dit veld dus de norm, en de reden ligt voor de hand. Een beroepscode geeft leden richting, maakt cliënten duidelijk wat zij mogen verwachten, en vormt het toetsingskader bij klachten en tuchtrecht. Die derde functie is hier de doorslaggevende: het tuchtcollege van het register toetst uitdrukkelijk aán de toepasselijke beroepscodes. Een toetsingsnorm die niet uit een gezaghebbende bron te halen is, laat zich lastig toetsen, en laat zich al helemaal lastig weerspreken door degene die eraan wordt gehouden.

Neutraal geformuleerd komt het hierop neer. Anders dan veel zorgberoepsverenigingen, die hun beroepscode of gedragsregels openbaar publiceren, is de actuele code van deze vereniging niet openbaar beschikbaar op haar eigen website. Daardoor is voor patiënten, leden en derden niet eenvoudig vast te stellen welke versie op dit moment van kracht is. Dat is een waarneming en geen verwijt, en zij is in enkele minuten te herhalen.

En dat is het punt dat blijft haken. Dat statuten en een huishoudelijk reglement achter een ledendeel staan, is niets bijzonders; dat zijn interne bestuursstukken. Een beroepscode hoort niet in die categorie: die is precies wat een cliënt geacht wordt te vertrouwen, en de enige manier om te controleren wat dat waard is, is hem lezen. De norm werkt dus naar buiten, terwijl de tekst ervan binnen blijft. Het gevolg weegt daarbij zwaarder dan het verwijt: doordat de vereniging niet zichtbaar publiceert, is de feitelijke publicatie overgelaten aan haar leden, en is er geen gezaghebbende versie om de twee kopieën aan te toetsen.

Het ligt bovendien niet aan de sector. Het tuchtcollege publiceert zijn volledige reglement gewoon als pdf. Het register publiceert zijn toelatingsvoorwaarden met versienummer en vaststellingsdatum. Binnen hetzelfde veld gebeurt het dus wél, en dat maakt dit een keuze van deze vereniging en geen gewoonte van het geheel.

Twee voorbehouden, want zonder die twee wordt dit groter gemaakt dan het is. Ik heb de site van de vereniging niet uitputtend doorzocht; ik heb een aantal pagina’s geopend en geen downloadsectie gevonden, maar een link kan mij zijn ontgaan. En niet zichtbaar gepubliceerd is iets anders dan geheim: het is goed mogelijk dat de code op verzoek wordt verstrekt of achter de ledenlogin staat. Voor de cliënt die wil nagaan waaraan haar behandelaar gebonden is, verandert dat niets, maar voor de formulering wel.

En dan staat er onderaan een clausule waarover wederhoor nodig is. In de uitgebreide openbare weergave sluit de code af onder de kop Aansprakelijkheid MBOG met de mededeling dat de vereniging geen klachten aanvaardt voor praktijken, diagnostieken, geneeswijzen en andere diensten waarvoor zij de betreffende zorgverlener geen registratie heeft verleend. De plaatsing telt mee: de bepaling staat niet onder een klachtenprocedure maar onder een kop over aansprakelijkheid, en zij spreekt over het niet aanvaarden van klachten en niet over afwijzing na inhoudelijke behandeling. Dezelfde begrenzing keert terug in de inleiding van diezelfde weergave, waar staat dat het bestuur na onderzoek maatregelen kan treffen voor zover de betreffende behandelaar onder de reglementen van de vereniging valt. Lees dat naast de vorige alinea: de norm verbiedt handelingen en uitspraken buiten de eigen deskundigheid, maar juist wat buíten de geregistreerde discipline valt, zou dan de klacht zijn die niet in behandeling wordt genomen. Het tuchtreglement van het register knoopt zijn toepasselijkheid eveneens aan de therapievorm waarvoor iemand is aangesloten, dus de spanning is reëel.

Maar drie dingen houden dit voorlopig een vraag en nog geen conclusie. De clausule staat uitsluitend in de jongste van de twee versies hierboven. In de oudere ontbreekt zij, en dat is preciezer dan het lijkt: die kopie kent alleen de onderdelen Algemeen en In relatie tot patiënten, en bevat helemaal geen klachtprocedure, tuchtprocedure of aansprakelijkheidsbepaling. Er is dus geen bepaling geschrapt; het hele deel waarin zij thuishoort ontbreekt daar. De onderdelen Kennis, Gedragsregels en Aansprakelijkheid MBOG komen alleen in de jongere weergave voor. Zij staat niet op de huidige klachtenpagina van de vereniging, die juist algemeen naar de geschilleninstantie en het tuchtcollege verwijst, en geen van beide weergaven is door de vereniging zelf gehost of van een vaststellingsdatum voorzien. Bovendien zou het wegvallen van de private route niet betekenen dat er géén route is: de wettelijke klachtenfunctionaris en de erkende geschilleninstantie blijven bestaan zolang iemand zorg verleent. De juiste stap is hier dus niet de conclusie maar de vraag, aan de vereniging: geldt deze clausule nog, en welke route blijft open voor wat erbuiten valt?

Zeg daarom niet dat die code niets voorstelt. Hij bevat normen die, consequent toegepast, een aanzienlijk deel van de praktijk zouden uitsluiten. Dat is een compliment aan de code en een verwijt aan de uitvoering, en dat onderscheid maakt de kritiek geloofwaardig in plaats van goedkoop.

Wat de code sterker maakt dan verwacht, en wat eromheen staat

Eén eis staat niet in de code maar in de lidmaatschapsvoorwaarden, en zij hoort er toch bij: een verklaring omtrent het gedrag, elke vijf jaar opnieuw. Dat is een terugkerende eis en niet een eenmalige drempel, en zij is meer dan een deel van de sector vraagt.

En de code is strenger geformuleerd dan de praktijk die eronder valt. Waar het woord deskundigheid elders rekbaar is, koppelt de code het aan bekwaamheid: niet alleen handelingen, ook uitspráken buiten dat terrein zijn uitgesloten. Voor een private regeling is dat een strengere norm dan een cliënt zou verwachten.

En één ding dat het onoverzichtelijk maakt

Bij het nazoeken bleek de klachtroute versnipperd. Er is een klachtenfunctionaris op grond van de wet, er is een geschilleninstantie, er is het tuchtcollege van het register met zijn eigen beroepscollege, en de beroepscode verwijst daarnaast naar een eigen tuchtcollege van de vereniging, waarbij het bestuur beslist of het tot maatregelen overgaat. Historisch was er ook nog een aparte klachtencommissie voor alternatieve behandelwijzen.

Voor een cliënt met een klacht is dat geen waarborg maar een doolhof. En wie zelf niet weet welke route waarvoor geldt, kan een cliënt er ook niet naar verwijzen. Dat is een praktisch punt dat zwaarder weegt dan het principiële.

Hoe de naleving is geregeld, en dat is beter dan vaak wordt aangenomen

Dit is nagezocht op 27 juli 2026, en de uitkomst nuanceert de kritiek.

Er ís een mechanisme. De beroepsvereniging schrijft haar leden in bij het RBCZ, het register voor beroepsbeoefenaren in de complementaire zorg, en daarmee vallen zij onder de private tuchtregeling van de stichting TCZ. Het College van Toezicht behandelt klachten in eerste aanleg. Tegen een eindbeslissing kunnen zowel de klager als de beklaagde binnen zes weken hoger beroep instellen bij het College van Beroep, dat een beslissing kan vernietigen en de zaak vervolgens zelf afdoet.

En dit is het punt dat ertoe doet: de tuchtnormen zijn de code van het RBCZ én de code van de beroepsvereniging waarbij de therapeut is aangesloten. De eigen beroepscode is dus geen vrijblijvende tekst maar een toetsingsnorm waarop iemand kan worden aangesproken. Daarnaast regelt de vereniging aansluiting bij een erkende geschilleninstantie en een verplichte beroepsaansprakelijkheidsverzekering, zoals de Wkkgz voorschrijft.

Wie schrijft dat er geen enkel toezicht is, heeft dus ongelijk.

Waarin dit verschilt van het wettelijke tuchtrecht

Dit is het punt waarop precisie ertoe doet, want twee dingen die dezelfde naam dragen zijn hier fundamenteel verschillend.

Het wettelijk tuchtrecht staat in artikel 47 van de Wet BIG en geldt voor wie is ingeschreven in het BIG-register: de elf beroepen van artikel 3, van arts en apotheker tot physician assistant en verpleegkundige. De tuchtcolleges voor de gezondheidszorg zijn bij wet ingesteld en kunnen wettelijke sancties opleggen, tot en met doorhaling in het register.

Wat hier bestaat is iets anders. Het is een private regeling van een stichting, waaraan iemand zich onderwerpt door zich in te schrijven. De grondslag is niet de wet maar de inschrijving zelf.

En daar zit het verschil dat alles bepaalt:

Wettelijk tuchtrecht Deze regeling
Grondslag De wet Vrijwillige inschrijving
Procesgang Regionaal Tuchtcollege; hoger beroep bij het Centraal Tuchtcollege College van Toezicht; hoger beroep bij het College van Beroep
Wie stelt de regels De wetgever Het bestuur van de stichting zelf, artikel 21 lid 3
Wie oordeelt Wettelijk samengesteld college Op de jurist-voorzitter na uitsluitend beroepsgenoten uit dezelfde sector
De zitting In beginsel openbaar, artikel 70 Wet BIG Niet openbaar, artikel 12 lid 7
Wat het de klager kost € 50, en nogmaals € 50 in beroep; terug bij gehele of gedeeltelijke gegrondverklaring € 50, en nogmaals € 50 in beroep; terug zodra de klacht na vooronderzoek in behandeling wordt genomen
Verjaring Tien jaar, een fatale termijn die niet kan worden opgeschort Vijf jaar, met een beperkte uitzondering tot tien; tot december 2022 was dit twee jaar
Voorportaal Rechtstreeks toegankelijk Het vooronderzoek toetst of de klachtenregeling van de eigen vereniging is doorlopen; sinds maart 2025 zonder uitdrukkelijk gevolg
Zwaarste sanctie Doorhaling in het BIG-register Verwijdering uit een privaat register
Gevolg voor de praktijk Verlies van titel en voorbehouden handelingen Geen; het beroep is niet beschermd
Wat doet uitschrijven? De aanspreekbaarheid blijft onbeperkt bestaan Het onttrekt je niet aan de procedure, maar holt de sanctie wel uit

Het vocabulaire is hier ontleend aan het wettelijke stelsel. College van Toezicht, College van Beroep, berisping, schorsing, doorhaling: het vocabulaire komt regelrecht uit de Wet BIG. Wat er niet mee overkomt, is het stelsel eromheen. Anders dan bij het wettelijke tuchtrecht berust de regeling niet op een wet maar op een privaat reglement. Wijzigingen daarin worden vastgesteld door het bestuur van de stichting. Hetzelfde bestuur benoemt en herbenoemt de leden van de colleges en stelt, in samenspraak met de voorzitter, per zaak de samenstelling vast. Bestuursleden van de stichting en van het register mogen zelf géén zitting nemen in de colleges, en wie in eerste aanleg oordeelt mag niet in het beroepscollege zitten. Het bestuur schrijft dus het procedurele kader en organiseert de personele bezetting, maar oordeelt niet zelf als tuchtcollege. Dat onderscheid hoort erbij, want zonder dat wordt de kritiek onnauwkeurig.

Daarnaast bestaan er andere private klacht- en tuchtregelingen. Naast de hier beschreven stichting bestaan er andere private tuchtstelsels waar therapeuten via hun eigen collectief onder vallen, met eigen colleges en eigen reglementen. Op praktijkwebsites staat dan bijvoorbeeld dat men onder het klachtrecht en het tuchtrecht van een geschílleninstantie valt, weer een andere partij, met weer een ander reglement. Voor een cliënt die “onder tuchtrecht” leest, is niet alleen onduidelijk wát dat inhoudt, maar ook wíens tuchtrecht het is.

De procedurele verschillen zitten niet in het enkele bestaan van griffierecht. Beide regelingen heffen vijftig euro in eerste aanleg en opnieuw vijftig euro in beroep. Aan deze kant is dat overigens nieuw: in de versie van 2019 stond nog geen griffierecht, het is met de versie van december 2022 ingevoerd. De voorwaarden voor teruggave verschillen wél: bij het wettelijke tuchtrecht volgt restitutie bij gehele of gedeeltelijke gegrondverklaring, bij deze regeling zodra na het vooronderzoek wordt besloten de klacht in behandeling te nemen. Ook de termijnen verschillen. Het wettelijke tuchtrecht kent een verjaringstermijn van tien jaar, die de tuchtcolleges een fatale termijn noemen; de private regeling gaat uit van vijf jaar, met een beperkte verruiming tot maximaal tien voor seksueel geweld, grensoverschrijdend gedrag of ernstig onprofessioneel handelen. De wettelijke terechtzitting is in beginsel openbaar en de rechtspraak koppelt dat aan het recht op een eerlijk proces; hier zijn de zittingen niet openbaar. En het vooronderzoek toetst of de klachtenregeling van de beroepsvereniging is doorlopen, maar sinds maart 2025 verbindt het reglement daaraan niet meer uitdrukkelijk de consequentie dat de klacht anders niet in behandeling wordt genomen.

Tot slot de samenstelling, en daar raken dit hoofdstuk en het vorige elkaar. Op de voorzitter na, die jurist is, zijn alle leden beroepsbeoefenaren die zelf in de complementaire zorg werkzaam zijn en minstens vijf jaar in hetzelfde register staan. Wie hier wordt beoordeeld, wordt beoordeeld door collega’s uit dezelfde kring: dezelfde kring die de opleidingen erkent en de accreditaties waardeert. Dat is geen verwijt aan die personen; het is een kenmerk van de constructie.

Die laatste regel vraagt precisie, want hier gaat de gangbare kritiek de mist in. Uitschrijven onttrekt je niet aan de procedure: artikel 3, derde lid, van het reglement bepaalt dat wie zijn lidmaatschap opzegt of uit het register wordt geschrapt, onderworpen blijft aan het tuchtreglement voor zijn handelen tijdens de inschrijving. Wat uitschrijven wél doet, is de sanctie uithollen: doorhaling van een registratie die iemand toch al had verlaten, raakt vooral nog de melding aan de zorgverzekeraar. En voor nieuw handelen na de uitschrijving houdt de private regeling op te gelden, maar de wettelijke niet: wie zorg blijft verlenen, houdt zijn verplichtingen onder de Wkkgz, met klachtenfunctionaris en geschilleninstantie. Uitschrijven bij een vereniging beëindigt een lidmaatschap, geen wettelijke plicht. Een arts komt ook daar niet onderuit: die blijft tuchtrechtelijk aanspreekbaar, ook als hij zich homeopaat of orthomoleculair therapeut noemt.

Eén formulering verdient daarom precisie. Dat de eigen beroepscode een toetsingsnorm is, klopt, en het blijft het beste argument in dit stuk. Maar de zin hij valt onder het tuchtrecht mag niet zonder toevoeging blijven staan, want zij wekt de indruk van het wettelijke stelsel. De juiste formulering is: er is een private klacht- en toetsingsregeling waaraan hij zich vrijwillig heeft onderworpen, met een sanctie die niet verder reikt dan de registratie zelf. Het verschil zit dus niet in het ontbreken van een beroepsmogelijkheid, maar in de grondslag en de reikwijdte: het ene is wettelijk tuchtrecht met publiekrechtelijke gevolgen, het andere een private regeling waarvan de sancties in beginsel niet verder reiken dan de private inschrijving.

De opleidingseisen en de betekenis van erkend

Nagezocht op 27 juli 2026, en de uitkomst gaat twee kanten op.

Wat er wél wordt geëist, en dat is meer dan je zou verwachten. Voor lidmaatschap verlangt de vereniging een aantoonbare medische basis op hbo-niveau plus een vakopleiding van een geselecteerde lijst. Voor die medische basis bestaan meerdere routes: een opleiding met een BIG-registratie, een registratie in het Kwaliteitsregister Psychotherapie, of een hbo- of wo-diploma aangevuld met een diploma Medische Basiskennis dat door een van de private accreditatie-instituten is erkend. Het is dus niet één eis maar een set gelijkwaardige ingangen. Let daarbij op iets wat pas opvalt als je twee pagina’s van dezelfde site naast elkaar legt: op de aanmeldpagina staat de eis anders geformuleerd, namelijk als een werk-, denk- en opleidingsniveau gelijk aan NLQF 6, 7 of 8, aan te tonen met een willekeurige afgeronde hbo- of wo-vooropleiding plus medische basiskennis van meer dan veertig studiepunten. Dat is niet hetzelfde als de eerste opsomming, en wie wil weten wat er nu precies geldt, moet het navragen. Wie een opleiding heeft die er niet op staat, kan een ballotageverzoek indienen.

Die eis is echt. Elke route loopt via een diploma op hbo-niveau, en daarmee ligt de drempel hoger dan bij een groot deel van de complementaire sector, waar het beroep zelf helemaal vrij is. Dat hoort gezegd, want een kritiek die dit weglaat is niet eerlijk.

En let op de formulering waarmee dat naar buiten komt. De vereniging schrijft dat haar leden een erkende hbo-opleiding hebben afgerond en beschikken over relevante registraties, zoals in het BIG-register en het Kwaliteitsregister Psychotherapie. Dat woordje zoals doet veel werk: het betekent dat sommige leden zo’n registratie hebben, niet dat het lidmaatschap er een vereist. Voor een cliënt die het lidmaatschap als waarborg leest, is dat verschil wezenlijk.

De keten hoeft overigens niet te worden afgeleid; hij staat op de site van de vereniging zelf. Onder het kopje met de erkende opleidingen schrijft zij bij een van de opleiders dat therapeuten die de opleiding succesvol afronden zich kunnen aansluiten bij de vereniging en in aanmerking komen voor vergoeding via zorgverzekeraars. Opleiding, lidmaatschap en vergoeding, in één zin, door de partij die het lidmaatschap verstrekt. In het curriculum van een van die opleidingen staat daarbij uitdrukkelijk laboratoriumdiagnostiek vermeld. Uit de publiek beschikbare curriculumomschrijving kon niet worden vastgesteld of daarin ook de vier in deel I besproken commerciële tests worden onderwezen; laboratoriumdiagnostiek kan evengoed reguliere bepalingen omvatten.

En er loopt nog een tweede route langs alle keurmerken heen. Bij een van de vermelde opleidingen staat een mastertitel van een buitenlandse pauselijke universiteit, met daarbij de mededeling dat die titel al na het derde jaar mag worden gevoerd en dat het accreditatietraject van het private instituut daarvoor niet vereist is. Dat is een titel die buiten de NVAO én buiten het private keurmerk om tot stand komt.

En dan het punt waar het om draait. De vakopleidingen zelf zijn niet geaccrediteerd door de NVAO, de bij wet ingestelde accreditatieorganisatie voor het hoger onderwijs. Zij zijn geaccrediteerd door private instituten: SNRO, CPION en KTNO. Dat laatste is er zelf het duidelijkst over: het schrijft dat de opleidingen die het accrediteert geen wettelijk erkend mbo- of hbo-diploma opleveren, en dat het geen beroepsvereniging is maar een accreditatieplatform.

Diezelfde pagina laat bovendien zien hoe de erkenning praktisch tot stand komt. Het instituut biedt de beroepsverenigingen gratis online software aan waarmee zij die erkenningen kunnen afgeven, en administreert die erkenningen vervolgens zelf. De partij die de accreditatie verleent, levert dus het gereedschap waarmee zij wordt erkend, en houdt daar ook de boekhouding van bij.

En dat instituut noemt ook waar de vraag vandaan kwam. Op de eigen site staat dat zorgverzekeraars de vakverenigingen en specialisten in dit veld hebben verzócht gebruik te maken van onafhankelijke accreditatie-instituten, om de kwaliteit van het onderwijsaanbod te verbeteren en te bewaken. De keten is dus niet uit zichzelf ontstaan: de verzekeraar vroeg om kwaliteitsborging, en wat hij terugkreeg was private accreditatie. Dat sluit aan op wat verderop in dit hoofdstuk staat over de rekening die bij diezelfde verzekeraar terechtkomt.

En het register schrijft de cirkel zelf op. In het protocol met de toelatingsvoorwaarden staat dat, zolang de geaccrediteerde opleidingen nog onvoldoende algemeen geldend zijn voor het veld of voor een specifieke therapievorm, beroepsorganisaties genoodzaakt zijn om zelf de beroepsopleiding te waarderen. Accreditatie door een van de private instituten staat er bovendien als bij voorkeur, niet als eis. Zelfs het private keurmerk is dus een voorkeur, en waar het ontbreekt beoordeelt de vereniging de opleiding van haar eigen aspirant-leden.

En dan is er nog de manier waarop dat niveau kan worden opgebouwd. Hetzelfde protocol rekent praktijkervaring om in studiepunten: wie gemiddeld acht werkuren per week praktijk draait, ontvangt daarvoor twintig studiepunten per praktijkjaar, bij meer uren naar rato, tot een maximum van zestig per jaar, waardoor de vereiste stapeling, in de bewoordingen van het protocol zelf, in één jaar kan worden bereikt. Het niveau dat als hbo-conform naar buiten komt, kan dus voor een aanzienlijk deel bestaan uit het draaien van de eigen praktijk, gewaardeerd door de eigen beroepsvereniging.

Een van de opleidingsinstituten zegt dat op de eigen site opvallend openhartig: de accreditatie is conform hbo opleidingsniveau en komt sterk overeen met de NVAO waarden en toetsingsnormen, en men beschrijft zichzelf als een privaat opleidingsinstituut. Dat is een correcte en nette formulering, en zij zegt precies wat er staat: het niveau wordt vergeleken met de norm, het is niet die norm.

Let daarom op drie woorden die in deze sector veel werk doen.

Wat er staat Wat het betekent
Op hbo-niveau Een uitspraak over het niveau, geen door de overheid erkend hbo-diploma in dat vak
Hbo-conform Idem, en het woord conform zegt het zelf: gelijkvormig aan, niet gelijk
Erkend Erkend door wie? Hier: door private accreditatie-instituten en door beroepsverenigingen, niet door de overheid
Niveau gelijk aan NLQF 6 Een zelf verklaarde gelijkstelling aan een schaal, geen inschaling door de instantie die die schaal beheert

En er is een vierde woord bij gekomen, dat zwaarder weegt dan de drie hierboven: NLQF. Het Nederlands kwalificatieraamwerk is geen privaat keurmerk maar een overheidsinstrument met acht niveaus, gekoppeld aan het Europese EQF. Sinds de Wet NLQF, aangenomen door de Tweede Kamer op 9 april 2024, door de Eerste Kamer op 25 juni, gepubliceerd op 24 juli, heeft het een wettelijke grondslag, is het Nationaal Coördinatiepunt een zelfstandig bestuursorgaan, en is de inschaling van niet-gereguleerde opleidingen een wéttelijke taak.

Twee dingen die het raamwerk zelf benadrukt, en die het misbruik ervan zo aantrekkelijk maken. Het eerste staat op de site van de Rijksoverheid: het NLQF zegt niets over de kwaliteit van opleidingen. Het meet niveau, niet deugdelijkheid. Het tweede staat in het advies waarop het raamwerk is gebouwd: een NLQF-niveauaanduiding geeft geen recht op titels of graden. En het coördinatiepunt zegt over zichzelf dat het geén accrediteringsorganisatie is.

Waar het dan misgaat, is in één voorzetsel. Een kwalificatie kan worden ingeschaald: beoordeeld door het coördinatiepunt en opgenomen in het openbare NLQF-register, waar iedereen het kan nakijken. Dat is iets anders dan de formulering die de beroepsvereniging op haar aanmeldpagina hanteert: dat het lid beschikt over een werk-, denk- en opleidingsniveau gelijk aan NLQF level 6, 7 of 8. Dat is geen inschaling maar een zelf verklaarde gelijkstelling. Het is exact dezelfde beweging als bij hbo-conform: de schaal wordt geleend, de instantie die hem beheert wordt overgeslagen. Het register van de complementaire zorg doet het op dit punt overigens netter; dat verwijst uitdrukkelijk naar een waardering door het coördinatiepunt NLQF, en dat is wel de juiste route.

En hier houdt de vrijblijvendheid op. Bij hbo-conform kun je hooguit zeggen dat het misleidend oogt. Bij NLQF is er sinds de wet toezicht op rechtmatig gebruik van de niveauaanduidingen, met een monitoringsaanpak die begint met een gesprek en kan eindigen in een bestuurlijke boete op grond van de beleidsregel bij de WHW, de WEB en de Wet NLQF. Bovendien geldt sinds de wet uitdrukkelijk dat onderdelen van opleidingen zoals modules, certificaten en microcredentials geen niveauaanduiding meer mogen dragen, en niet automatisch het niveau hebben van de volledige kwalificatie. Een losse module medische basiskennis is zo’n onderdeel.

En dat is na te gaan, want het NLQF-register is openbaar. Daarin staan alle private opleidingen die tot nu toe zijn ingeschaald; door de overheid gereguleerde opleidingen zijn collectief ingeschaald en staan er niet in. Op 29 juli 2026 is geen van de drie particuliere opleidingen die de vereniging op haar lidmaatschapspagina afzonderlijk uitwerkt, namelijk die van Ortho Linea, PNI Nederland en de Stichting Orthomoleculaire Educatie, onder de daar gebruikte opleidings- of opleidersnaam in het register teruggevonden. Ook de aanduidingen orthomoleculair, voedingsgeneeskunde en klinische psycho-neuro-immunologie leveren geen enkele treffer op.

En dat is niet omdat deze hoek er niet in zóu kunnen. In hetzelfde register staan wél een opleiding osteopathie op niveau zes, een registeropleiding psychosociaal therapeut, een opleiding integratieve counselor, een opleiding verpleegkundige complementaire zorg en een leefstijlcoach op niveau zes, allemaal privaat, allemaal ingeschaald door het coördinatiepunt. De route bestaat, zij is begaanbaar, en anderen in hetzelfde veld hebben haar genomen.

Twee afbakeningen horen hierbij, en zonder die twee is de vaststelling aanvechtbaar. De eerste: dit oordeel ziet uitsluitend op de particuliere vakopleidingen. De vereniging noemt in haar lijst ook opleidingen van bekostigde instellingen, en die zijn collectief ingeschaald en worden in dit register niet afzonderlijk getoond; uit hun afwezigheid volgt dus niets. Hetzelfde geldt voor buitenlandse opleidingen. De tweede: ik heb gezocht op de namen zoals de vereniging en de opleiders die voeren, en een opleiding kan onder een andere juridische naam zijn ingeschaald. Wat vaststaat is dus dat de genoemde particuliere kwalificaties onder de gebruikte namen niet in het register zijn terug te vinden, niet dat zij nergens zouden staan.

De keten is gesloten, en dat is de kern. Een opleider wordt geaccrediteerd door een privaat instituut, dat instituut is aangesloten bij een brancheorganisatie voor complementair onderwijs, die accreditatie wordt erkend door de beroepsverenigingen, en het lidmaatschap geeft toegang tot het private register. Let hier op de volgorde, die vaak wordt omgedraaid: het register geeft géén AGB-code uit. Vektis schrijft op de eigen site dat zij de enige organisatie in Nederland is die een AGB-code mag uitgeven, en dat het aanvragen ervan kosteloos is. En zij noemt de voorwaarde die er hier toe doet: zorgverleners die niet onder artikel 3 van de Wet BIG vallen, moeten geregistreerd zijn in een kwaliteitsregister of bij een branche- of beroepsorganisatie. Het register op zijn beurt verlangt een béstaande AGB-code als toelatingsvoorwaarde. Een AGB-code maakt declareren administratief mogelijk; of er daadwerkelijk wordt vergoed, hangt af van de polis, de therapievorm en de beroepsorganisatie.

En in de algemene voorwaarden van Vektis staat wie die eis feitelijk invult. De erkenningscriteria per zorgsoort worden bepaald door wettelijke vereisten waar het om beschermde beroepen gaat, en waar dat niet zo is door de branche- en beroepsverenigingen zelf, zo nodig in samenspraak met zorgverzekeraars. Voor een beroep dat niet in de Wet BIG staat, stelt de beroepsvereniging dus mede de voorwaarde waaraan haar eigen leden moeten voldoen om een AGB-code te krijgen, en die code is vervolgens de toegang tot het register en tot declareren.

Elke schakel erkent de volgende, en geen enkele schakel ligt buiten de sector. Dat is een beschrijving van de institutionele verhoudingen en niet van iemands bedoelingen: accreditatie en erkenning vinden hier binnen een privaat stelsel plaats, en dat is iets anders dan publieke accreditatie door de NVAO. Het punt is niet dat daar opzet achter zit, maar dat het verschil voor deelnemers en cliënten zichtbaar hoort te zijn. En de keten heeft één gevolg dat er wél buiten ligt: de rekening die bij de verzekeraar terechtkomt.

De vraag die dit checkbaar maakt is dus niet is de opleiding erkend, want het antwoord daarop is ja. De vraag is: erkend door wie, en ligt die partij buiten de kring die zij beoordeelt? Dat is dezelfde vraag die je stelt bij een onderzoek dat door de fabrikant is betaald, en zij is hier even verhelderend.

En wat zeggen die accreditatie-instituten zelf?

Nagezocht, en het aardige is dat zij het zelf helder uitleggen. Er is geen onthulling nodig.

SNRO omschrijft zich als een onafhankelijk instituut dat accreditaties verzorgt voor al het private, niet door de overheid bekostigde onderwijs, en zegt daarbij gebruik te maken van de normen en standaarden uit het reguliere hbo, dus de NVAO-standaarden. De norm wordt dus geleend, niet toegepast door de instantie die hem stelt. Daar is inmiddels iets bijgekomen: de SNRO kondigt op de eigen site aan te stoppen. Er worden geen nieuwe initiële accreditaties meer aangenomen en voor bestaande instituten geldt een afbouwregeling, waarbij onder voorwaarden nog één heraccreditatie mogelijk is. In het register staan op dit moment nog de orthomoleculaire en kPNI-opleidingen die toegang geven tot het lidmaatschap. Dat ontkracht het punt hierboven niet maar scherpt het aan. Bestaande accreditaties blijven voorlopig geldig, de laatste lopen volgens de eigen toelichting uiterlijk vóór juli 2032 af, maar de schakel die de norm leende is in afbouw en zal verdwijnen. Wat de waarde is van een keurmerk waarvan de uitgever ermee ophoudt, is een vraag die de sector zelf zal moeten beantwoorden.

CPION vraagt precisie. Het instituut omschrijft zichzelf als een private organisatie die post-initiële opleidingen toetst en als registeropleiding opneemt. De scherpere formulering die hier vaak bij wordt aangehaald, dat post-hbo-opleidingen buiten de accreditatie in opdracht van de NVAO vallen, dat de overheid ze niet controleert en dat de aanduiding post-hbo niet is beschermd, staat niet op de site van CPION zelf, maar bij een opleider die met CPION werkt. Feitelijk klopt zij; als citaat van CPION zou zij verkeerd zijn toegeschreven.

En dan de toetsingsprocedure zelf, in zes stappen op de eigen site. De opleider vraagt de toetsing aan en ontvangt een pakket met daarin een door hem te ondertekenen opdrachtbevestiging, tevens factuur. Hij beschrijft vervolgens zelf de opleiding die getoetst moet worden. Daarna, en dit is stap drie, stelt hij zelf een adviescommissie samen, en de verklaring die die commissie invult en ondertekent moet een positief oordeel bevatten over de inhoud en de relevantie van de opleiding. Pas daarna gaat het dossier naar de toetsingscommissie van het instituut, die adviseert aan het bestuur van de bijbehorende stichting, en dat bestuur volgt, in de woorden van het instituut zelf, als regel de aanbeveling.

Lees die drie elementen achter elkaar. De beoordeelde betaalt, beschrijft zijn eigen opleiding, en levert een verklaring aan van een commissie die hij zelf heeft samengesteld en die volgens het procedurevoorschrift positief moet luiden. Dat is geen verwijt dat hier iemand onzorgvuldig werkt; het is de vaststelling dat het instrument zo is ontworpen dat een negatief oordeel vóór de toetsing al is uitgesloten. Het instituut vat het zelf samen in de kop boven die pagina: het noemt zijn registratie het diploma voor diploma’s.

En de wettelijke werkelijkheid daarnaast. Alleen de NVAO kan in Nederland de status hbo toekennen, en erkende opleidingen staan in het centrale register voor het hoger onderwijs. Corrigeer daarbij één misverstand dat de instituten zelf in stand houden: het onderscheid loopt niet tussen bekostigd en particulier onderwijs, maar tussen wél en niet door de NVAO erkend, ook een particuliere opleiding kan door de NVAO worden geaccrediteerd en geeft dan een wettelijk erkende graad. Een registeropleiding in het complementaire veld is geen hbo en geen bachelorgraad; zij kan wel hbo-conform worden geaccrediteerd.

Het oordeel hoeft dus niet te leunen op wat de opleiders zelf zeggen. Het klopt wat zij zeggen, en het klopt ook wat er níet staat.

Eén punt blijft hier bewust buiten beschouwing. Er is in 2022 bericht dat de accreditatieorganisatie voor het hoger onderwijs bezwaar maakte tegen het gebruik van de woorden accreditatie en hbo-niveau in dit veld. Dat bericht kwam van een partij met een uitgesproken standpunt en berustte op een e-mail die ik niet zelf heb gezien. Bevestiging was niet te krijgen, en dan hoort het weg. De neutrale feiten hierboven dragen het punt ook zonder, en zij zijn controleerbaar op de sites van de instituten zelf.

Het tuchtcollege: wat het kan opleggen, en waarover het oordeelt

Op 27 juli 2026 nagezocht op de eigen site van het tuchtcollege, en dit maakt het plaatje af.

Eén opmerking vooraf over de versie, want ook hier speelt hetzelfde probleem. Er circuleren meerdere versies naast elkaar. Op 29 juli 2026 bood de downloadpagina er vier gelijktijdig aan. De reglementen zelf vermelden alle vier in artikel 21 een vaststellings- of inwerkingtredingsdatum: 31 mei 2019 met inwerkingtreding op 3 juni 2019, 6 december 2022 met inwerkingtreding op 7 december 2022, 20 maart 2025, en 6 mei 2026. De afwijking zit dus niet in ontbrekende data maar in de aanduiding: de pdf die op de downloadpagina als oktober 2024 werd aangeboden, vermeldt in artikel 21 een vaststelling op 6 december 2022. Wat er op de downloadpagina stond en onder welke naam, is na de wijziging van die pagina alleen nog uit een gedateerde archiefkopie af te leiden. De hier aangehaalde bepalingen zijn getoetst aan de actuele versie: het reglement van mei 2026, vastgesteld en in werking getreden op 6 mei 2026, dat op de downloadpagina staat naast de als vervallen aangemerkte versie van 2025.

Wie de regels wijzigt, en wie beslist als zij zwijgen. Datzelfde artikel 21 regelt in alle vier de versies nog twee dingen, en zij zijn beide van een andere orde dan een datum. Voorziet het reglement ergens niet in, dan beslist het college dat de zaak behandelt. En wijzigingen van het reglement worden vastgesteld door het bestuur van de stichting. Vanaf de versie van december 2022 staat daar bovendien bij dat klachten die onder een eerdere versie zijn ingediend, aan de nieuwe versie geen rechten kunnen ontlenen. In de versie van 2019 ontbreekt die zin nog. Dat is geen misstand en het is bij private regelingen ook niet ongebruikelijk, maar het laat wel zien waar de bevoegdheid ligt: de partij die het tuchtrecht organiseert, stelt zelf vast welke regels daarbij gelden en kan die wijzigen. Bij het wettelijke tuchtrecht ligt dat elders, want daar staan samenstelling, bevoegdheden, maatregelen en beroepsgang in de wet, en die kan alleen de wetgever veranderen. Wie de twee stelsels naast elkaar legt, ziet hier het scherpste verschil: niet in het vocabulaire, dat grotendeels gelijk is, maar in de vraag wie aan de regels mag komen. En die twee bepalingen werken samen: het bestuur stelt een wijziging vast, en wie zijn klacht onder de oude versie indiende, kan zich niet op de nieuwe beroepen. De inperking van het hoger beroep voor de klager, hierboven beschreven, is precies zo tot stand gekomen. Dat maakt de vergelijking van reglementversies over de tijd bovendien de aangewezen manier om te zien wat er is veranderd, wat de eerdere vaststelling over het hoger beroep van de klager illustreert.

Tussen die versies is bovendien iets veranderd dat de klager raakt. Tot en met maart 2025 kon de klager zonder meer hoger beroep instellen. In de versie van mei 2026 staat dat hij dat kan voor zover de klacht is afgewezen of ongegrond verklaard, of voor zover zij niet-ontvankelijk is verklaard. Wie zijn klacht gegrond ziet verklaard maar de opgelegde maatregel te licht vindt, kan daar sindsdien dus niet meer tegen op. Voor de beklaagde geldt die inperking niet.

De maatregelen zijn: waarschuwing, berisping, voorwaardelijke of onvoorwaardelijke schorsing van de inschrijving bij de aangesloten beroepsorganisatie voor maximaal één jaar, en doorhaling van die inschrijving. Ook die doorhaling kan voorwaardelijk zijn, en daar is de volgorde leerzaam. De mogelijkheid zelf staat al in de versie van 2019: het college kan bepalen dat de schorsing geheel of gedeeltelijk, of de doorhaling in het geheel, niet ten uitvoer wordt gelegd zolang de beroepsbeoefenaar zich gedurende maximaal twee jaar onthoudt van de gedragingen die tot de maatregel leidden. Het woord voorwaardelijk staat in 2019 nog bij geen van beide in de opsomming; in december 2022 komt het bij de schorsing te staan en pas in maart 2025 ook bij de doorhaling. De bevoegdheid veranderde dus niet, de benaming wel. Bij een voorwaardelijke maatregel kan een proeftijd van maximaal twee jaar worden vastgesteld; die twee termijnen worden vaak verward. Er is geen geldboete.

Let op wat er geschorst of doorgehaald wordt: de inschrijving bij de beroepsorganisatie. Niet een bevoegdheid, want die is er niet.

Twee openbaarmakingen, en die worden vaak verward. De uitspraak zelf wordt geanonimiseerd gepubliceerd; dat is geen keuze. Facultatief is alleen de aánvullende openbaarmaking van de opgelegde maatregel: het college kan bepalen dat die openbaar wordt gemaakt, op een door hem te bepalen wijze. Bij het wettelijke tuchtrecht ligt dat anders, al vraagt ook dat precisie: uitspraken worden standaard geanonimiseerd gepubliceerd, en maatregelen die de beroepsuitoefening beperken, zoals schorsing, gedeeltelijke ontzegging en doorhaling, worden bovendien onder naam bekendgemaakt, via een aantekening in het BIG-register, de Staatscourant en een regionale krant. Een waarschuwing, berisping of geldboete gaat niet onder naam naar buiten, tenzij het college daartoe besluit.

Er zit wel één echte tand in. Is de beroepsbeoefenaar via het register aangemeld bij een zorgverzekeraar, dan worden schorsing en schrapping aan die verzekeraar gemeld. Dat raakt de vergoeding, en dat is in de praktijk zwaarder dan het verlies van een schildje aan de muur.

Wettelijk tuchtrecht Dit college
Zwaarste maatregel Doorhaling in het BIG-register: verlies van de beschermde titel en van de aan de registratie verbonden bevoegdheden Doorhaling van een lidmaatschap
Geldboete Ja, tot 4.500 euro Nee
Publicatie Geanonimiseerd standaard; beroepsbeperkende maatregelen onder naam, ook in de Staatscourant en een regionale krant Uitspraak geanonimiseerd standaard; openbaarmaking van de maatregel alleen als het college dat besluit
Uitschrijven Blijft onverkort gelden Geen ontsnapping, wel een lege sanctie

En waarover gaat het dan feitelijk?

Dit is de vraag die in kritieken meestal open blijft, en het antwoord is veelzeggender dan een aantal.

Het college publiceert een selectie van geanonimiseerde uitspraken, geordend op onderwerp. Die rubricering is niet volledig en zij dekt de inhoud van de zaken niet altijd. Loop de onderwerpen langs: seksuele intimidatie, grensoverschrijdend gedrag, gebrek aan professionele distantie, schending van het beroepsgeheim, geheimhoudingsplicht, stalking, een relatietherapeut die een relatie met een cliënt kreeg, de meldcode huiselijk geweld, omgaan met feedback.

Let op wat deze selectie wel en niet laat zien. Zij gaat overwegend over professionele grenzen, geheimhouding, dossiervoering en doorverwijzen. Maar zij bevat ook uitspraken waarin de inhoud en de risico’s van een behandelmethode worden beoordeeld, en daarbij is de herkomst van belang, want die wordt makkelijk over het hoofd gezien. De meest inhoudelijke zaak betreft een ayurvedische behandeling: er werd een deskundige gehoord, de methode werd gewogen op nut, risico en wetenschappelijke onderbouwing, en de behandeling werd onverantwoord genoemd. Die zaak is echter beslist in 2002 en in hoger beroep in 2003, door de Raad van Toezicht en het Hof van Toezicht van een voorgangerorganisatie en onder een ander reglement; in de uitspraak staat er met zoveel woorden bij dat het de laatste zaak was die nog onder die regeling viel. Hetzelfde geldt voor de iriscopiezaak, die eveneens een inhoudelijk oordeel bevat. Daarin ging het om een vrouw bij wie reguliere artsen de ziekte van Crohn vermoedden: de therapeut nam geen behoorlijke anamnese af, raadde terugkeer naar de reguliere zorg af, en verwees haar niet terug ondanks gewichtsverlies, koorts en een voelbare zwelling in de buik, terwijl hij bleef vertrouwen op wekelijkse iriscopische controles. Kort na beëindiging van de behandeling werd zij opgenomen en werd een deel van haar dunne darm verwijderd. Het scherpste oordeel kwam via de deskundige die de therapeut zélf had meegebracht: die verklaarde dat veranderingen in de iris pas na ongeveer een jaar zichtbaar worden, waarop het Hof concludeerde dat de wekelijkse controles nutteloos waren en dat de therapeut er ten onrechte volledig op had vertrouwd. De klacht werd gegrond verklaard en de man werd uit de vereniging gezet en uit het register geschrapt. Ook deze zaak is echter van de Raad van Toezicht en het Hof van Toezicht van dezelfde voorgangerorganisatie, in eerste aanleg op 14 april 1998 en in hoger beroep behandeld op 1 december 1998. Een derde zaak, over de geheimhoudingsplicht, dateert eveneens van 1998 en komt van dezelfde voorganger. Er wórdt in deze verzameling dus inhoudelijk getoetst, en niet zuinig: methoden zijn onverantwoord en nutteloos genoemd, met deskundigen erbij. Maar alle drie de zaken waarin dat gebeurt komen van voorgangerorganisaties, uit 1998, 1998 en 2002. Niet van het huidige college, en niet uit dit decennium. Het huidige reglement geeft het college overigens wél uitdrukkelijk de bevoegdheid deskundigen te benoemen. Wat ik in de op 27 juli 2026 gepubliceerde selectie niet heb aangetroffen, is een uitspraak waarin de juistheid van een commerciële test, een productclaim of een supplementclaim centraal stond. Die vaststelling gaat over wat op die datum was gepubliceerd en niet over wat het college zou kunnen of willen toetsen, en dat voorbehoud hoort er telkens bij te blijven staan, ook in een samenvatting. Voor een cliënt die het lidmaatschap als kwaliteitswaarborg leest, is dat het verschil dat zij moet kennen.

Eén detail uit die oude zaak is veelzeggend zodra je beide teksten naast elkaar legt. De zitting van 2002 was een openbare zitting; in de uitspraak staat zelfs vermeld in welk zalencomplex zij plaatsvond. Het huidige reglement bepaalt dat de zittingen niet openbaar zijn. Op dat punt is deze regeling in de loop van de tijd dus geslotener geworden, niet opener.

Twee kanttekeningen. Dit is een door het college zelf gekozen selectie en geen volledige database, dus over aantallen valt er niets uit af te leiden. En de klager houdt in alle gevallen de weg open naar de inspectie, de civiele rechter of het Openbaar Ministerie; dat staat er met zoveel woorden bij.

Twee leden, twee stelsels, en de vraag of iemand dat weet

Nog een gevolg dat zelden wordt opgemerkt. Deze vereniging richt zich op artsen én therapeuten; in haar eigen openbare opleidingsinformatie gebruikt zij de aanduiding orthomoleculair therapeut/arts.

Voor het lid dat arts is, geldt het wettelijk tuchtrecht onverkort, ook voor wat hij als orthomoleculair behandelaar doet. De tweede tuchtnorm van artikel 47 ziet namelijk op elk handelen in die hoedanigheid dat in strijd is met een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg.

Voor het lid dat geen BIG-registratie heeft, geldt dat niet.

Twee mensen, hetzelfde lidmaatschap, hetzelfde vignet aan de muur, en een wezenlijk verschillende aanspreekbaarheid. Voor een cliënt is dat verschil onzichtbaar, en het is precies het soort verschil dat zichtbaar hoort te worden gemaakt.

En voor de arts geldt nog iets, dat weinig bekend is

De KNMG heeft hiervoor een eigen handreiking, en die is strenger dan menigeen denkt. Zij heet De arts en niet-reguliere behandelwijzen, stamt uit 2008 en is in 2022 geactualiseerd. Zij geldt voor elke BIG-geregistreerde arts, ook wanneer die orthomoleculair of integratief werkt.

Begin bij het woord. De KNMG wijst de termen alternatief en complementair uitdrukkelijk af omdat zij tot misverstanden leiden, en de woorden geneeskunde en geneeswijzen eveneens. Zij spreekt van reguliere en niet-reguliere behandelwijzen. Regulier is daarbij gedefinieerd als wat berust op de kennis, vaardigheden en ervaring die nodig zijn om de artsentitel te behalen en te behouden, algemeen door de beroepsgroep is aanvaard, en deel uitmaakt van de professionele standaard. Niet-regulier is alles daarbuiten. Die definitie gaat dus niet over herkomst of over sympathie, maar over de vraag of iets tot de professionele standaard behoort.

Dan de norm die het dichtst bij dit stuk komt. De handreiking bepaalt dat artsen zich er voortdurend van bewust zijn dat hun diagnostiek, behandelwijzen en adviezen zijn omgeven met het gezag van de opleiding en de titel. Dat is precies het mechanisme dat in dit hoofdstuk telkens terugkeert, maar dan opgeschreven door de beroepsgroep zelf en gericht op haar eigen leden. Verder geldt dat elke behandeling begint bij een volgens de professionele standaard gestelde diagnose, dat de arts zich richt naar het best beschikbare wetenschappelijke bewijs, en dat hij tegenover de patiënt een duidelijk onderscheid maakt tussen regulier en niet-regulier. De arts informeert de patiënt over effectiviteit, aard, duur en nevenwerkingen; kan de stand van de wetenschap daarover niets zeggen, dan moet de arts dát melden.

En dan de bepaling die het zwaarst weegt: wat er onder schade wordt verstaan. Niet alleen directe fysieke schade. Ook het bieden van valse hoop op genezing of verbetering. Ook het geven van onjuiste of incomplete informatie over de werkzaamheid van een behandeling. Ook het niet of niet tijdig inzetten, of het afraden, van algemeen aanvaarde diagnostiek en behandeling. En ook het ontkennen of ontkrachten van op reguliere wijze tot stand gekomen bevindingen, zoals een gestelde diagnose.

Let daarbij op de context waarin die opsomming staat, want die wordt vaak weggelaten. Zij hoort bij de situatie waarin een patiënt een geïndiceerde reguliere behandeling afwijst. De arts wijst haar dan op de mogelijke gevaren van het uit- of afstellen van die reguliere behandeling: het gevaar is dus specifiek het uitstel, niet een vaag risico. Volhardt zij in de afwijzing, of is er geen reguliere behandeling meer, dan biedt de arts niets aan dat schade kan berokkenen, in de brede zin hierboven. En daar staat een verplichting bij die absoluut is geformuleerd: het blijft te allen tijde tot de verantwoordelijkheid van de arts behoren om de patiënt te wijzen op het belang van reguliere behandelwijzen en daar steeds naar te verwijzen. Dat is geen inspanningsverplichting die vervalt zodra de patiënt nee heeft gezegd.

Lees dat naast deel I van dit stuk. Een test die iets meet dat niet is wat de uitslag suggereert, met een advies dat daaruit wordt afgeleid, levert onjuiste of incomplete informatie over werkzaamheid. Een tekort dat wordt vastgesteld met een methode die dat niet kan, is valse hoop op verbetering. Voor de arts is dat dus niet alleen een wetenschappelijk bezwaar maar een gedragsnorm van de KNMG, de eigen federatie van de arts, én een begrip dat aansluit op de strafbepaling uit de Wet BIG, waar de drempel eveneens schade of een aanmerkelijke kans daarop is.

Hoe die norm er is gekomen, verklaart ook waarom hij maar één kant bindt. Hij is niet onderhandeld maar getrokken, en achteraf. Sylvia Millecam overleed in 2001 aan borstkanker nadat zij door een groot aantal niet-reguliere behandelaars was behandeld, onder wie enkele artsen. In juni 2007 veroordeelde het Centraal Tuchtcollege die artsen, twee van hen werden voor het leven doorgehaald, en in juni 2009 volgde de strafrechter. Beide rechters formuleerden in die uitspraken algemene regels voor niet-regulier werkende artsen, en de handreiking verscheen daar in april 2008 middenin. Zij codificeert dus wat de rechter al had gezegd, voor de eigen leden, na een sterfgeval.

En zij wérkt, wat je van veel gedragsnormen niet kunt zeggen. Tuchtcolleges citeren haar in hun uitspraken woordelijk, tot en met de zinsnede dat het te allen tijde tot de verantwoordelijkheid van de arts blijft behoren om op het belang van reguliere behandelwijzen te wijzen. Maar zij reikt precies zo ver als het BIG-register: voor de niet-geregistreerde behandelaar aan de andere kant van diezelfde behandelkamer geldt zij niet.

Twee dingen die hier eerlijkheidshalve bij horen. Een handreiking is geen wet en geen richtlijn; zij is een gedragsnorm van de beroepsvereniging, die in het tuchtrecht wel als maatstaf kan worden gebruikt. En de handreiking verbiedt niet-regulier werken door artsen niet; zij omgeeft het met voorwaarden. Wie haar aanhaalt als verbod, citeert haar verkeerd. Binnen de beroepsgroep is de handreiking overigens omstreden, en het loont te weten in welke richting: de kritiek komt uit de strenge hoek. Critici lezen kernregel zeven van de gedragscode, handelen in overeenstemming met de professionele standaard, als een categorisch verbod, en verwijten de handreiking dat zij niet-aanvaarde methoden slechts laat afraden in plaats van verbieden. De KNMG antwoordt dat de professionele standaard geen regel is maar een kapstok die in onder meer handreikingen wordt uitgewerkt. Wie deze norm aanhaalt, haalt dus een ondergrens aan die een deel van de beroepsgroep nog te laag vindt. Aardig detail tot slot: ook dit document draagt twee data: de kopregel noemt 2008 met een actualisering in 2022, het colofon achterin noemt januari 2018. Dat euvel is dus niet voorbehouden aan de sector die in dit stuk wordt beschreven.

En weet de behandelaar dit zelf?

Dit is de vraag die het hele hoofdstuk van karakter verandert, en het eerlijke antwoord is dat ik het niet weet. Er is geen onderzoek onder deze beroepsgroep naar wat zij van dit stelsel begrijpt, en zonder zo’n onderzoek is elke uitspraak erover een gok. Maar de vraag is de moeite waard, want de structuur hierboven maakt één uitkomst wel erg waarschijnlijk.

Alles wat een behandelaar hierover te horen krijgt, komt namelijk uit dezelfde kring. De opleiding is geaccrediteerd door een privaat instituut. Datzelfde instituut levert de beroepsverenigingen de software waarmee zij die accreditatie erkennen, en administreert die erkenningen. Het register schrijft in zijn eigen protocol dat verenigingen wel gedwongen zijn hun opleidingen zelf te waarderen. Er is in die hele keten geen moment waarop iemand van buiten zegt: let op, conform hbo-niveau is geen hbo, en dit tuchtrecht is niet het tuchtrecht dat u denkt. De woorden zijn geleend, en de uitleg erbij komt van de partij die ze leende.

Zet daar de rekening naast. Een lid betaalt jaarlijks contributie, enkele honderden euro’s, en op de eigen site staat erbij waar die voor is: inclusief visitatie, klacht, geschillen, tucht. Wie dat betaalt, mag redelijkerwijs denken dat hij ergens ónder valt. Dat het reglement in artikel 21 lid 3 bepaalt dat het bestuur van de stichting de regels zelf vaststelt, staat in een pdf die vrijwel niemand ooit opent. Ik had hem zelf ook niet open gehad, en ik was er specifiek naar op zoek.

Eén tegenvoorbeeld hoort erbij, en het komt uit een aanpalende branche. De brancheorganisatie voor schoonheidsspecialisten bracht in maart 2026 een standpunt uit over vingerpriktesten en bloedanalyse in de salon, en noemt dat quasi-diagnostiek. Dat is scherper dan wat het veld eromheen over zichzelf zegt. Het is dus niet zo dat niemand het benoemt; het is zo dat het zelden gebeurt, en zelden op de plek waar het over de eigen keten gaat.

Dat verandert wie hier eigenlijk wordt aangesproken. Als een aanzienlijk deel van de mensen die dit uitvoeren zelf niet weet dat de waarborg waarvoor zij betalen minder is dan hij lijkt, dan zijn zij niet de partij die iets verzwijgt. Zij zijn de tweede lezer van dezelfde folder. Dat stond al in de verantwoording achterin als een kwestie van fatsoen; hier staat het als een vaststelling. En het geeft dit stuk een functie die het anders niet zou hebben: voor een deel van zijn lezers is het geen aanklacht maar informatie die zij nergens anders krijgen.

Deel III Het recht, en daar is de grond het hardst

Het levensmiddelenrecht kent geen alternatieve route

Alles hierboven gaat over beroepsnormen, en daar valt over te twisten: wie is aangesloten, wat stelt een code voor, wie toetst wat. Dit hoofdstuk gaat over iets anders, en daar is de grond aanzienlijk harder.

Zodra er een product bij komt, verandert de rechtsvraag. Niet meer: welke zorgverlener ben jij en bij wie ben je aangesloten. Maar: wat doe je met dit levensmiddel, en wat beweer je erover. Die twee vragen worden beantwoord door Europees levensmiddelenrecht, en dat kent geen complementair spoor, geen alternatieve variant en geen uitzondering voor wie zichzelf anders noemt.

Stap één: een supplement is een levensmiddel

De Europese richtlijn zegt het in één zin: voedingssupplementen zijn levensmiddelen. Daarmee valt alles wat ermee gebeurt onder de algemene levensmiddelenwetgeving.

Dat is geen classificatie waarover een beroepsgroep een eigen opvatting kan hebben. Zij volgt uit de wet en zij geldt voor iedereen die het product aanraakt.

Stap twee: verkopen maakt je exploitant van een levensmiddelenbedrijf

Een levensmiddelenbedrijf is volgens de verordening een onderneming, zowel publiek- als privaatrechtelijk, die al dan niet met winstoogmerk actief is in enig stadium van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen. De exploitant is de natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de naleving van de levensmiddelenwetgeving in het levensmiddelenbedrijf waarover hij de leiding heeft.

Daar staat geen ondergrens bij, geen omzetdrempel, en niet dat het je hoofdactiviteit moet zijn. Wie vanuit de praktijk structureel voedingssupplementen verkoopt of doorlevert, kan daarmee als exploitant van een levensmiddelenbedrijf worden aangemerkt, met de bijbehorende verplichtingen. Of dat in een concreet geval zo is, hangt af van de feitelijke activiteit en rol, maar een drempel in omzet of omvang stelt de verordening niet.

Maar let op wat er níet staat, want dat is even belangrijk. De drie stadia zijn productie, verwerking en distributie. Advies staat er niet bij. Wie uitsluitend adviseert en geen product levert, is naar Europees recht dus géén exploitant van een levensmiddelenbedrijf, en de hele reeks hieronder geldt dan niet.

Dat is precies het gat dat België wél dicht: het Belgische besluit over het melden van bijwerkingen rekent het advies uitdrukkelijk tot de stadia. Nederland vangt de adviseur niet, België mogelijk wel. Die asymmetrie is geen detail maar de scherpste lijn in dit hele stuk.

Daaruit volgt een reeks verplichtingen die niets met beroepsnormen te maken heeft:

Wat Waar het uit volgt
Registratie bij de toezichthouder, per vestiging Artikel 6 van de hygiëneverordening
Kunnen aanwijzen wie geleverd heeft, wanneer en hoeveel Artikel 18 van de algemene levensmiddelenverordening
Die gegevens binnen vier uur bij de NVWA kunnen leveren De beleidsregel die de open normen invult
Bij een onveilige situatie: binnen vier uur procedures tot uit de handel nemen starten én de NVWA informeren Artikel 19, derde lid
Meewerken aan een terugroepactie van de producent Artikel 19, tweede lid

Geen van deze vijf hangt aan een titel, een register, een lidmaatschap of een opleiding. Zij hangen aan de handeling.

Stap drie: het etiket, en waarom de eigen deskundigheidsclaim hier tegen je werkt

Deze bepaling is voor verkopende praktijken bijzonder relevant, omdat zij het tegenovergestelde doet van wat men zou verwachten.

Verordening 1169/2011 legt de verantwoordelijkheid voor de juistheid van de voedselinformatie bij degene onder wiens naam het product op de markt komt: de fabrikant of de importeur. Dat is de verkopende praktijk niet.

Maar in hetzelfde artikel staat een tweede regel, en die geldt wél:

Exploitanten die niet instaan voor de voedselinformatie, leveren geen levensmiddelen waarvan zij op grond van de informatie waarover zij als professionals beschikken weten of veronderstellen dat die niet aan de voedselinformatiewetgeving voldoet.

Lees de vetgedrukte woorden nog eens. De maatstaf is niet wat een gemiddelde koper ziet. De maatstaf is wat jij, gezien je vak, hoort te zien.

En daar zit de omkering. Wie zich presenteert als deskundige op het gebied van voeding en supplementen, verhoogt daarmee zijn eigen wettelijke maatstaf. Hoe groter de deskundigheid die je claimt, hoe meer je geacht wordt te zien, en hoe eerder je in overtreding bent wanneer je iets levert waarvan het etiket niet deugt.

De marketing en de aansprakelijkheid lopen hier dus in elkaars verlengde. Wie adverteert met bijzondere kennis van nutriënten, kan zich later niet beroepen op onwetendheid over een ontbrekende verbindingsvermelding, een dosering boven het nationale maximum of een claim die niet op de goedgekeurde lijst staat.

De wet neemt hier dus de eigen belofte serieus.

Stap vier: de claimregels, en de drie bepalingen die hier het hardst aankomen

Hier is een afbakening nodig die in kritieken vaak wordt overgeslagen.

Artikel 1, tweede lid, zegt dat de verordening van toepassing is op claims die in commerciële mededelingen worden gedaan, hetzij in de etikettering en presentatie van levensmiddelen, hetzij in de daarvoor gemaakte reclame.

Dat betekent: op een etiket, in een folder, op een website, in een bericht op sociale media en bij een affiliate link gelden deze regels onverkort. Bij een mondeling advies in de behandelkamer zonder verkoop en zonder aanprijzing ligt het minder scherp; dat is niet zonder meer een commerciële mededeling.

Maar dat verweer verdampt zodra er iets te koop is, zodra er een folder ligt, of zodra er iets online staat. En dat is bij deze praktijk vrijwel altijd het geval.

Drie bepalingen raken haar dan rechtstreeks, en alle drie zijn woordelijk nagelezen.

Artikel 10, eerste lid. Een gezondheidsclaim is verboden tenzij hij is toegelaten en in het EU-register staat. Dat is de omkering die alles bepaalt: het gaat er niet om of iets ergens verboden is, maar of het uitdrukkelijk is toegestaan.

Artikel 12, onder c. Verboden zijn claims waarin wordt verwezen naar aanbevelingen van individuele artsen of beroepsbeoefenaren op het gebied van de volksgezondheid en andere niet in artikel 11 bedoelde verenigingen. Die laatste zes woorden worden vrijwel altijd weggelaten, en ze doen het meeste werk. Artikel 11 gaat namelijk over nationale medische verenigingen en liefdadigheidsinstellingen op het gebied van de volksgezondheid, en zegt alleen dat bij gebrek aan Europese voorschriften nationale regels kunnen gelden. Een private beroepsvereniging in de complementaire zorg valt daar niet zonder meer onder, en dan valt zij dus in de restcategorie van artikel 12, onder c. Een supplementclaim met de aanbeveling van zo’n vereniging erbij is daarmee verboden, niet toegestaan.

Eén voorbehoud, en het is wezenlijk. Van artikel 11 circuleren twee tekstvarianten. In drie geraadpleegde weergaven luidt de kop nationale medische verenigingen en liefdadigheidsinstellingen; in een vierde staat nationale verenigingen van gezondheidswerkers, voedingsdeskundigen of diëtisten en liefdadigheidsinstellingen. Dat verschil is niet cosmetisch: bij de tweede lezing zou een private beroepsvereniging in de complementaire zorg eerder wél binnen artikel 11 kunnen vallen, en dan werkt het verbod van artikel 12, onder c daar niet tegen. Ik heb de geconsolideerde tekst niet zelf kunnen inzien en de redenering hierboven berust dus op de eerste lezing. Wie zich hierop wil beroepen, toetst dat eerst.

Artikel 3, onder d. Een claim mag niet stellen, suggereren of impliceren dat een evenwichtige, gevarieerde voeding in het algemeen geen toereikende hoeveelheden nutriënten kan bieden.

En één categorie apart: de vergunningplichtige claims van artikel 14. Dat artikel zag oorspronkelijk alleen op claims inzake ziekterisicobeperking; claims over de ontwikkeling en de gezondheid van kinderen zijn eraan toegevoegd bij Verordening 109/2008. Het tweede lid eist bovendien dat bij zo’n claim wordt vermeld dat de ziekte meerdere risicofactoren heeft. Deze claims zijn dus niet verboden, maar zij mogen uitsluitend worden gebruikt na afzonderlijke Europese toelating, en die toelating is er voor de hier besproken toepassingen niet.

Die laatste is eerder in dit stuk al genoemd, maar in deze context krijgt hij een extra lading. Het gaat hier niet om een ongelukkige formulering in een folder. Het is het uitgangspunt zelf, en zodra dat bij een product wordt gebruikt, is het een verboden claim.

Stap vier en een half: de webshop kent een eigen regel

Eén bepaling die in dit verband bijna altijd wordt vergeten. Bij verkoop op afstand moet de verplichte etiketinformatie beschikbaar zijn vóór de koop wordt gesloten, met uitzondering van de houdbaarheidsdatum. De klant mag dus niet pas bij ontvangst kunnen lezen wat erin zit.

Een webshop die alleen een productfoto en een prijs toont, voldoet daar niet aan. Dit is een van de makkelijkst vast te stellen overtredingen die er bestaat, en zij komt veel voor.

Stap vijf: de grens naar het geneesmiddel

En dan de zwaarste. Of iets een geneesmiddel is, hangt af van twee dingen: van wat het doet, en van hoe het wordt gepresenteerd. Dat tweede heet het aandieningscriterium.

Dezelfde capsule kan daardoor juridisch als geneesmiddel naar aandiening worden gekwalificeerd, afhankelijk van hoe zij wordt gepresenteerd. Dat is geen kwestie van één zin: de beoordeling betreft de presentatie als geheel, van etiket en verpakking tot de teksten eromheen. Wie zegt of schrijft dat een product een aandoening behandelt, voorkomt of geneest, heeft niet de claimregels overtreden maar een geneesmiddel zonder handelsvergunning in de handel gebracht. Dat is een andere orde van ernst.

En de regel reikt verder dan de expliciete genezingsbelofte. Artikel 7, derde lid, van Verordening 1169/2011 verbiedt niet alleen het toeschrijven van zulke eigenschappen maar ook het maken van toespelingen daarop; het vierde lid trekt dat verbod door naar reclame en aanbiedingsvorm. Toespelingen dus ook, en dat raakt de suggestieve formulering die net geen ziekte noemt. In Nederland is handelen in strijd met deze bepalingen verboden op grond van artikel 2, zesde lid, van het Warenwetbesluit informatie levensmiddelen. Hetzelfde verbod stond vroeger rechtstreeks in artikel 20, tweede lid, onder a, van de Warenwet, maar die bepaling maakt geen deel meer uit van de huidige geconsolideerde tekst. Wie de Warenwet aanhaalt voor ziekteclaims bij een supplement, verwijst dus naar een vindplaats die er niet meer is: een fout die ook in een eerdere versie van dit stuk stond.

En het stelsel sluit de ontsnappingsroute zelf af. Artikel 2, tweede lid, van Richtlijn 2001/83/EG bepaalt dat bij twijfel, wanneer een product zowel onder de omschrijving van geneesmiddel valt als onder die van een product uit andere regelgeving, de geneesmiddelenregels van toepassing zijn. De Geneesmiddelenwet bepaalt in artikel 1 hetzelfde voor het nationale recht, en artikel 2 van Verordening 178/2002 plaatst geneesmiddelen bovendien buiten het begrip levensmiddel. Bij samenloop wint dus het zwaarste regime.

Wat dit alles bij elkaar betekent

Zet de twee helften van dit stuk naast elkaar en het beeld is scherp.

Over de beroepsnormen valt te discussiëren: er is een code, er is een privaat toezicht, en de zwaarste sanctie is het verlies van een registratie. Dat is een zwak systeem en dat mag gezegd.

Over het levensmiddelenrecht valt veel minder te discussiëren. Het gaat niet over wie je bent maar over wat je doet. Het wordt gehandhaafd door de NVWA en het FAVV, niet door een beroepsvereniging. Er is hier niets om je uit te schrijven, want er is geen register dat je kunt verlaten. En de eigen deskundigheidsclaim verhoogt de maatstaf in plaats van hem te verlagen.

Het toezicht dat hier geldt komt dus uit een andere hoek dan waar doorgaans naar wordt gekeken.

Onder welke wetten valt iemand die nergens bij is aangesloten?

Dit is de vraag die het vaakst wordt gesteld en het slechtst wordt beantwoord. Het antwoord is niet nergens onder, en het is in Nederland en België fundamenteel verschillend.

Neem de concrete figuur: iemand zonder BIG-registratie en zonder aansluiting bij een beroepsvereniging of register. Zij onderzoekt cliënten met een bloedpakket, een haarmineraalanalyse of een darmfloratest, en adviseert en verkoopt op grond daarvan supplementen.

Nederland: het mag, en daarom regelt de wet de gevolgen

1. De WGBO geldt, en dat verrast bijna iedereen.

Artikel 7:446 lid 2 omschrijft handelingen op het gebied van de geneeskunst als alle verrichtingen, het onderzoeken en het geven van raad daaronder begrepen - rechtstreeks betrekking hebbende op een persoon en ertoe strekkende hem van een ziekte te genezen, hem voor het ontstaan van een ziekte te behoeden of zijn gezondheidstoestand te beoordelen.

Onderzoeken staat er. Raad geven staat er. Gezondheidstoestand beoordelen staat er. Wie testen afneemt en op grond daarvan adviseert, doet precies wat daar omschreven staat, en wie dat in de uitoefening van een beroep of bedrijf doet, sluit een behandelingsovereenkomst.

Daarmee gelden: informed consent, de dossierplicht, de bewaartermijn van twintig jaar, het inzagerecht van de cliënt en de geheimhoudingsplicht. Precies zoals de wet voorschrijft, en zonder dat er een beroepsvereniging aan te pas komt.

2. De Wkkgz geldt, en dat staat er letterlijk.

De wetgever noemt aanbieders van alternatieve geneeswijzen en solistisch werkende zorgverleners uitdrukkelijk, en kent de alternatieve-zorgaanbieder een eigen omschrijving toe. Verplicht zijn: een gratis onafhankelijke klachtenfunctionaris (artikel 15), aansluiting bij een door de minister erkende geschilleninstantie (artikel 18), een interne regeling om incidenten te melden (artikel 9, tweede lid), en het melden van calamiteiten bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (artikel 11). Die inspectie houdt ook toezicht op zelfstandigen met eigen cliënten. Let op de norm zelf, want die wijkt af: van de alternatieve-zorgaanbieder verlangt artikel 2, derde lid, geen goede zorg maar zorg die buiten noodzaak niet leidt tot schade of een aanmerkelijke kans op schade, waarbij de rechten van de cliënt zorgvuldig in acht worden genomen. Dat is dezelfde drempel als de strafbepaling uit de Wet BIG die hierna aan de orde komt. Geen vrijstelling dus, maar een aparte maatstaf, en het is de maatstaf waarop een niet-geregistreerde aanbieder daadwerkelijk aanspreekbaar is.

De geschilleninstantie geeft een bindend oordeel binnen zes maanden (artikel 22, eerste lid) en kan een schadevergoeding toekennen tot, in de woorden van artikel 20, in ieder geval vijfentwintigduizend euro. Dat is een bodem en geen plafond: de instantie mag hoger gaan.

En dan de bepaling die in dit hele veld het vaakst wordt overgeslagen. Artikel 10, tweede lid, verplicht de zorgaanbieder de cliënt te informeren over het al dan niet bestaan van een wetenschappelijk bewezen werkzaamheid van die zorg. Er staat geen uitzondering bij voor wie buiten het reguliere circuit werkt, en er staat evenmin bij dat de cliënt ernaar moet vragen. Dat laatste is geen detail: bij de informatie over aangeboden zorg, tarieven en kwaliteitsgegevens staat in datzelfde artikel wél op diens verzoek, en bij de werkzaamheid niet. Voor een praktijk die methoden aanbiedt waarvan de werkzaamheid niet is aangetoond, is dit de kortste route van dit hele stuk. Zwijgen is hier niet neutraal maar in strijd met de wet.

3. De Wet BIG geldt op drie punten.

Artikel 96 stelt strafbaar wie bij het verrichten van handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg buiten noodzaak schade of een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van een ander veroorzaakt. Dat geldt voor iedereen, met of zonder titel. De bepaling kent twee treden: wie wist of ernstige reden had om het te vermoeden, pleegt een misdrijf; zonder dat wetensvereiste blijft het een overtreding. En let op het derde lid, dat in dit verband zelden wordt genoemd: bij een veroordeling kan de rechter iemand ontzetten uit het recht het betrokken beroep uit te oefenen. Dat is de enige route in dit hele dossier waarlangs een niet-BIG-geregistreerde behandelaar zijn praktijk daadwerkelijk kan verliezen, niet via een register, maar via de strafrechter.

Daarnaast de voorbehouden handelingen: wie niet zelfstandig bevoegd is, mag ze alleen verrichten in opdracht van een bevoegde en alleen wanneer hij bekwaam is. Dat raakt rechtstreeks wie bloed afneemt voor een testpakket, want een venapunctie is een punctie en daarmee voorbehouden.

En de titelbescherming: beschermde titels mogen niet worden gevoerd.

4. Bij verkoop komt het hele levensmiddelenrecht erbij, zoals hierboven beschreven: registratie, traceerbaarheid, de etiketverantwoordelijkheid, de claimregels en de grens naar het geneesmiddel.

5. En verder de AVG voor de gezondheidsgegevens die worden verwerkt, het gewone aansprakelijkheidsrecht, en het verbod op misleidende handelspraktijken.

De Nederlandse logica is dus: het mag, en de wet regelt de gevolgen. De trekker is schade, of het risico daarop.

België: bepaalde handelingen kunnen al onwettige uitoefening zijn

Hier ligt het wezenlijk anders, en dit is het scherpste verschil tussen de twee landen in dit hele dossier.

De gecoördineerde wet van 10 mei 2015 omschrijft de geneeskunde via haar tegendeel. Artikel 3, paragraaf 1, tweede lid:

Wordt beschouwd als onwettige uitoefening van de geneeskunde, het gewoonlijk verrichten door een persoon die niet aan alle voorwaarden voldoet, van elke handeling die tot doel heeft, of wordt voorgesteld tot doel te hebben, bij een menselijk wezen, hetzij het onderzoeken van de gezondheidstoestand, hetzij het opsporen van ziekten en gebrekkigheden, hetzij het stellen van de diagnose, het instellen of uitvoeren van een behandeling van een fysieke of psychische, werkelijke of vermeende pathologische toestand.

Lees dat naast onze figuur en het loopt op vier punten samen:

Wat de wet noemt Wat de praktijk doet
Gewoonlijk verrichten Dit is haar beroep, niet een eenmalig voorval
Het onderzoeken van de gezondheidstoestand Bloedpakket, haaranalyse, darmfloratest
Het opsporen van ziekten en gebrekkigheden Tekorten en disbalansen opsporen
Werkelijke of vermeende pathologische toestand Ook een toestand die er niet blijkt te zijn, telt mee

En let vooral op de zinsnede of wordt voorgesteld tot doel te hebben. Dat is hetzelfde mechanisme als het aandieningscriterium bij het geneesmiddel: niet wat je doet telt, maar ook wat je zegt dat je doet.

En let op het woord gewoonlijk, want dat is een zelfstandig bestanddeel. Een eenmalige handeling valt in beginsel niet onder de omschrijving. Maar artikel 122, paragraaf 2, laat dat vereiste in enkele situaties vervallen, waaronder het gebruik van reclame om zulke handelingen te verkrijgen en het voeren van een titel, benaming of opvallend middel waarmee de indruk van wettelijke bevoegdheid wordt gewekt. Wie adverteert, kan dus binnen bereik komen zonder dat de gewoonlijkheid hoeft te worden aangetoond.

Artikel 122 stelt daar een straf op: acht dagen tot zes maanden gevangenisstraf en een geldboete van vijfhonderd tot vijfduizend euro, of een van beide. Die bedragen staan zo in de wettekst, maar Belgische strafrechtelijke geldboetes worden vermenigvuldigd met de opdeciemen. Die zijn met ingang van 1 februari 2026 verhoogd van zeventig naar negentig, wat overeenkomt met factor tien. Op de peildatum van dit stuk bedraagt de effectieve geldboete daardoor vijfduizend tot vijftigduizend euro; voor feiten tot en met 31 januari 2026 gold factor acht.

Het beslissende verschil: er is geen schade nodig. In Nederland moet er schade of een aanmerkelijke kans op schade zijn voordat artikel 96 in beeld komt. In België is gezondheidsschade géén bestanddeel van de strafbaarstelling. Dat betekent niet dat iedere handeling volstaat: er moet nog steeds worden aangetoond dat een onbevoegde een onder artikel 3 vallende handeling gewoonlijk verrichtte, of dat een van de uitzonderingen van artikel 122, paragraaf 2, van toepassing was. En het betekent evenmin dat ieder gesprek over voeding of ieder algemeen supplementadvies eronder valt; de kwalificatie hangt af van de concrete activiteit en van de presentatie ervan.

Daarbovenop gelden voor wie wél onder de wet valt de Kwaliteitswet van 2019 en de Wet Patiëntenrechten, en die begrenzing is wezenlijk: die wetten gelden voor gezondheidszorgbeoefenaars binnen het wettelijke toepassingsgebied, niet zonder meer voor iedere ongereguleerde adviseur. En het levensmiddelenrecht geldt identiek. Houd daarbij twee dingen uit elkaar. Wie supplementen verkoopt of levert, verricht een activiteit in de voedselketen en moet bij het FAVV bekend zijn, met de bijbehorende registratie- en afficheringsverplichtingen; alleen adviseren brengt die verkoopregistratie niet mee. Maar de operatordefinitie van het meldingsbesluit noemt het advies wél uitdrukkelijk, en dáár zit het verschil met Nederland: een zelfstandig behandelaar die beroepsmatig supplementen adviseert, kan door die adviesactiviteit onder die definitie vallen. Een operator moet een bijwerking waarvan hij weet of redelijkerwijs behoort te weten binnen tien werkdagen melden.

Twee kanttekeningen bij de Belgische situatie

De Belgische omschrijving is ruim. Ik heb geen Belgische rechtsliteratuur of vervolgingscijfers ingezien en doe daarom geen uitspraak over de precieze afbakening in de rechtspraktijk, over de vervolgingsfrequentie of over de opgelegde straffen. Wat vaststaat is de wettelijke norm; toepassing daarvan op een concreet geval verdient de beoordeling van een Belgische jurist.

De wet-Colla is nooit volledig uitgevoerd. De kaderwet over niet-conventionele praktijken uit 1999, de wet-Colla, is bovendien nooit volledig uitgevoerd: alleen voor homeopathie kwamen uitvoeringsbesluiten. Zij is opgeheven bij artikel 11 van de wet van 25 november 2025, gepubliceerd op 31 december 2025; omdat voor dat artikel geen bijzondere datum is bepaald, trad de opheffing volgens de normale termijn op 10 januari 2026 in werking. Wie op dat moment al als homeopaat was geregistreerd, behoudt die registratie. Tegen de opheffing zijn in 2026 vernietigingsberoepen ingesteld bij het Grondwettelijk Hof, onder meer over de gevolgen voor acupunctuur en chiropraxie; een ingesteld beroep stelt een wet echter niet buiten werking. De opheffing verandert niets aan de ruime omschrijving in artikel 3.

Waar het op neerkomt

Nederland België
Mag het? Ja In beginsel niet, als het onderzoeken of opsporen omvat
Wat is de trekker? Schade of een aanmerkelijke kans daarop De handeling zelf
Dossier en toestemming WGBO, ongeacht aansluiting Wet Patiëntenrechten, voor wie onder de wet valt
Klacht en geschil Wkkgz, ongeacht aansluiting Kwaliteitswet en ombudsdienst
Bij verkoop Identiek, want Europees Identiek, plus FAVV en nutrivigilantie

Wie dus zegt dat een niet-aangesloten therapeut buiten de wet valt, heeft het in beide landen mis. In Nederland valt hij onder meer wetten dan hij vermoedt. In België doet hij mogelijk iets wat op zichzelf al verboden is.

De hier aangehaalde Belgische bepalingen zijn gelezen in betrouwbare weergaven en in een juridisch tijdschriftartikel. Voor toepassing in een concreet geval geldt de officiële uitgave, en verdient het onderwerp de beoordeling van een Belgische jurist.

Deel IV De context, en het gesprek

Wat er sinds kort anders ligt

Tot voor kort was de tegenstelling: een alternatieve leer tegenover niets. Wie aandacht voor voeding wilde, moest daarvoor buiten de reguliere zorg. Dat is niet meer zo, en dat verandert het gesprek fundamenteel.

Er zijn richtlijnmodules. Op 5 augustus 2026 zijn aan de richtlijnen Psoriasis en Constitutioneel eczeem elk vijf modules over leefstijl toegevoegd: voeding en dieet, voedingssupplementen, alcohol en roken, stress, en bewegen. Het is dus geen zelfstandige leefstijlrichtlijn maar een uitbreiding van twee bestaande richtlijnen, geïnitieerd door de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie, ontwikkeld met dermatologen, huidtherapeuten, verpleegkundig specialisten, diëtisten en patiëntenvertegenwoordigers, en gefinancierd uit kwaliteitsgelden van medisch specialisten. Vindplaatsen: richtlijnendatabase.nl, richtlijn Constitutioneel eczeem, hoofdstuk Leefstijl bij eczeem, publicatiedatum 5 augustus 2026; en uit dezelfde richtlijn de modules over voedingsallergenen en het addendum over vroege introductie van voedingsallergenen bij kinderen met constitutioneel eczeem, geraadpleegd op 11 augustus 2026. Voor de goede orde: de auteur van dit stuk maakte deel uit van de werkgroep, en haar belangen staan in de richtlijn zelf vermeld.

Er is een netwerk: Vereniging Arts en Leefstijl, van en voor BIG-geregistreerde zorgprofessionals, met het Leefstijlroer en de Leefstijlcheck.

Er is een programma in de ziekenhuizen dat leefstijl structureel onderdeel van de behandeling wil maken.

En met het Integraal Zorgakkoord, gesloten in 2022 en lopend tot en met 2026, heeft leefstijl een vaste plek gekregen in de afspraken over de curatieve zorg.

Daarmee vervalt het sterkste argument voor deze werkwijze. De aandacht voor voeding is geen alleenrecht meer, en er is eindelijk een adres om naartoe te verwijzen.

De module over voedingssupplementen bij eczeem is voor dit stuk de meest sprekende. De aanbeveling is er een zonder omhaal: adviseer geen gebruik van vitamine D, vitamine D met vitamine E, visolie, zink, magnesium, kurkuma, duindoornolie of probiotica als behandeling van eczeem. De bewijskracht wordt beoordeeld als overwegend laag tot zeer laag, door heterogeniteit in de gebruikte supplementen, kleine studiepopulaties, gebrekkige blindering en hoge uitval. Voor magnesium en kurkuma werd geen enkele studie gevonden die aan de inclusiecriteria voldeed. Drie passages uit die module raken rechtstreeks aan wat hierboven is beschreven. De module stelt vast dat men bij een voldoende gevarieerd voedingspatroon in het algemeen genoeg voedingsstoffen binnenkrijgt en dat supplementen daarom meestal niet nodig zijn, met uitzondering van enkele specifieke groepen zoals zwangeren, jonge kinderen en ouderen. Dat is dezelfde lijn als het claimverbod uit de Europese verordening. Verder wordt genoemd dat supplementgebruik de aandacht kan afleiden van behandelingen waarvan de werking wel vaststaat, met onvoldoende controle van de ziekteactiviteit als mogelijk gevolg. En over vitamine D staat er dat onderzoek naar een eventueel tekort buiten de tweedelijns diagnostiek van eczeem valt: geen verbod op de test, maar de vaststelling dat hij hier niet thuishoort. De module noemt bovendien waar de verwachtingen van patiënten vandaan komen: uit media, sociale netwerken en alternatieve geneeskunde. Dat is dezelfde route die het verkooppatroon hierboven beschrijft, alleen dan opgeschreven vanuit de spreekkamer.

Hoe je dit in een gesprek gebruikt

Zegt een cliënt dat die therapeut tenminste de tijd voor haar nam: beaam dat. Het is waar, en het is waarschijnlijk beter dan wat zij elders kreeg.

Haal daarna de twee dingen uit elkaar die zij op één hoop legt:

Wat de cliënt op één hoop legt Hoe je het uit elkaar haalt
De kwaliteit van de aandacht Was waarschijnlijk goed. Erken dat volledig
De kwaliteit van de redenering Dat is het punt, en dat is iets anders

Die scheiding is het hele gesprek. Wie ze niet maakt, vraagt de cliënt om haar ervaring te ontkennen, en dat doet zij niet, terecht.

Deel V Samenwerken kan wel, maar niet zomaar

Er is een stelling die je in dit debat aan beide kanten hoort, en zij is onjuist. Aan de ene kant: reguliere en complementaire zorg kunnen niet samenwerken, want het zijn twee werelden. Aan de andere kant: natuurlijk kunnen zij samenwerken, want de patiënt maakt dat onderscheid toch niet. Beide slaan de vraag over die ertoe doet. Samenwerken kan wel degelijk, en het gebeurt al, maar alleen op één manier, en die is het omgekeerde van wat er doorgaans onder wordt verstaan.

Integratieve oncologie bestaat, en zij is niet vrijblijvend

Wie wil weten hoe het wél kan, hoeft niet ver te zoeken. Er is een internationale beroepsvereniging, de Society for Integrative Oncology, met een eigen definitie: integratieve oncologie is een patiëntgericht, evidence-informed vakgebied binnen de kankerzorg dat lichaam-en-geestpraktijken, natuurlijke producten en leefstijlaanpassingen uit verschillende tradities inzet naast de reguliere behandeling.

In 2017 publiceerde zij een klinische richtlijn voor borstkanker, in 2018 onderschreven door de American Society of Clinical Oncology. Die richtlijn koppelt interventies zoals acupunctuur, acupressuur, meditatie, yoga, massage, muziektherapie en voedingssupplementen aan specifieke klachten: angst, stress, depressieve klachten, vermoeidheid, slaapproblemen, misselijkheid, kwaliteit van leven. Niet: dit is alternatief en dus verdacht. Ook niet: dit is holistisch en dus goed. Maar: dit werkt aantoonbaar bij die klacht, dit niet, en hier weten we het niet.

Die laatste categorie is de belangrijkste, en de richtlijn benoemt haar zelf. In de samenvatting staat dat er groeiend bewijs is voor integratieve therapieën, met name lichaam-en-geestbenaderingen, als ondersteunende zorg, en in dezelfde adem dat veel integratieve praktijken onvoldoende zijn onderzocht, met te weinig bewijs om ze ondubbelzinnig aan te bevelen óf af te raden. Een richtlijn die dat over zichzelf opschrijft, doet iets wat in het veld dat dit stuk beschrijft nergens gebeurt.

In Nederland loopt hetzelfde spoor, zij het smaller. Er is een handreiking complementaire zorg in de palliatieve fase, in 2023 herzien, met een afzonderlijke versie voor kinderen. Er zijn ziekenhuizen met poli’s integrale oncologie. En er loopt onderzoek naar de mate waarin evidence-based complementaire zorg werkelijk wordt besproken en toegepast. Twee Nederlandse artsen die zich hiermee bezighouden vatten het samen in één zin: het gaat alleen over evidence-based interventies, net als in de reguliere zorg. En: integratieve zorg is een aanvulling, geen vervanging.

Wat die samenwerking mogelijk maakte

Kijk naar wat daar precies is gebeurd, want daar zit de hele les. De interventies kwamen van buiten de reguliere geneeskunde. Acupunctuur, meditatie, massage: geen daarvan is voortgekomen uit een academisch ziekenhuis. In die zin is integratieve oncologie werkelijk integratief. De methode kwam niet van buiten. Er is een uitgangsvraag geformuleerd, systematisch literatuur gezocht, op vertekening beoordeeld, zekerheid gegradeerd, commentaar verwerkt en geautoriseerd, en de belangen zijn vastgelegd, precies zoals beschreven aan het slot van deel I.

Samenwerking veronderstelt dus dat voor elke interventie dezelfde beoordelingsmethode geldt. Je mag met elk idee aankomen, uit welke traditie dan ook. Wat je niet mag meebrengen, is je eigen manier om te bepalen of het waar is.

De voorwaarden, en de eerlijkheid dat zij nergens zijn vastgelegd

Hier hoort een bekentenis bij die het betoog raakt. Er bestaat geen afgesproken kader dat beschrijft onder welke voorwaarden reguliere en complementaire zorg kunnen samenwerken. Ik heb ernaar gezocht en het is er niet. Wat er wél is, is de norm voor één kant: de KNMG-handreiking uit deel II. En die is, zoals daar beschreven, niet onderhandeld maar getrokken: eenzijdig, achteraf, na een sterfgeval, en bindend voor uitsluitend BIG-geregistreerden.

De vijf voorwaarden hieronder zijn daarom mijn reconstructie, afgelezen aan wat de integratieve oncologie feitelijk hééft gedaan. Zij zijn nergens vastgesteld en ik presenteer ze niet als kader. Dat er geen kader is terwijl er voortdurend over samenwerking wordt gesproken, is op zichzelf het vermelden waard.

Eén. Het gaat om een interventie, niet om een leer. Wat wordt beoordeeld is acupunctuur bij misselijkheid tijdens chemotherapie, niet de traditionele Chinese geneeskunde als verklaringsmodel. Het integreerbare is altijd een afgebakende handeling bij een afgebakende klacht. Een wereldbeeld kun je niet door een richtlijncommissie halen; een interventie wel.

Twee. De methode is de reguliere. Niet een eigen weegwijze die daarnaast bestaat, en niet een eigen keurmerk dat de woorden leent van het stelsel waaraan het zich meet.

Drie. Het antwoord mag nee zijn. Dit is de voorwaarde die het vaakst wordt overgeslagen en die alles bepaalt. Door de molen gaan betekent aanvaarden dat er uit kan komen dat het niet werkt, en dat vervolgens ook zeggen. De richtlijn hierboven doet dat met zoveel woorden. Wie alleen wil integreren wanneer de uitkomst gunstig is, doet niet mee aan het proces maar aan de marketing ervan.

Vier. Geen geleende woorden. Geen hbo-conform waar hbo wordt bedoeld, geen tuchtrecht waar een lidmaatschapsregeling wordt bedoeld, geen niveau gelijk aan NLQF waar geen inschaling heeft plaatsgevonden.

Vijf. Vaststellen en verkopen zijn gescheiden. Wie de test doet, levert de oplossing niet. Dat is in de reguliere zorg geen toevallige gewoonte maar een ontwerpkeuze.

En wat betekent dat voor wat hier is onderzocht?

Hier moet ik precies zijn, want anders leest dit deel als een opening die het niet is. Leg de vier tests uit deel I langs deze voorwaarden en zij vallen af op de tweede en de derde. Er is bij geen van vier een uitgangsvraag geformuleerd, geen systematische zoektocht gedaan, geen zekerheid gegradeerd. En het bewijs dat er wél is, wijst de verkeerde kant op. Dat zijn geen openstaande vragen maar beantwoorde vragen, en het antwoord is nee.

Het centrale uitgangspunt valt af op de eerste voorwaarde. Dat het lichaam optimale concentraties nodig heeft die via voeding niet haalbaar zijn, is geen interventie maar een verklaringsmodel, en bovendien een dat bij een product niet als commerciële claim mag worden gebruikt. Het vocabulaire uit deel II valt af op de vierde. En de constructie waarin dezelfde partij test en verkoopt, valt af op de vijfde.

Dus nee: dit stuk zegt niet dat orthomoleculaire praktijk naast de reguliere zorg kan worden gezet. Het zegt dat er een deur is, dat die deur bekend is, dat anderen er doorheen zijn gegaan, en dat wie er niet doorheen gaat zich niet kan beroepen op de gedachte dat de deur er niet zou zijn.

Wat dan wél kan

Doorverwijzen zonder de methode over te nemen. Een arts hoeft niet in orthomoleculaire theorie te geloven om te weten dat iemand met vermoeidheidsklachten en het gevoel niet gehoord te zijn ergens terechtmoet. Dat is een verwijzing naar aandacht, niet naar een leer, en sinds kort is er, zoals deel IV laat zien, ook binnen de reguliere zorg een adres.

Weten wat iemand slikt. Dit is het praktische punt dat het zwaarst weegt en het minst wordt geregeld. Interacties tussen supplementen en medicatie zijn een reële kwestie, en het begint bij de vraag stellen. Daar is geen overeenstemming over werkzaamheid voor nodig.

De vraag serieus nemen zonder het antwoord over te nemen. Dat mensen naar het complementaire circuit gaan, is meestal een oordeel over wat zij elders misten. Dat oordeel is vaak terecht. Het antwoord dat zij vervolgens kregen, is dat lang niet altijd.

En één ding dat de sector zelf zou kunnen doen, en dat meer zou opleveren dan welk debat ook: één interventie kiezen en die door de gewone molen halen. Uitgangsvraag, systematische zoektocht, gradering, commentaarfase, belangen op tafel. Dat is precies wat de integratieve oncologie heeft gedaan, en het is de enige route waarlangs een complementaire interventie ooit iets anders wordt dan een overtuiging.

Verantwoording

Wat dit stuk niet is

Dit is geen dossier voor een toezichthouder en geen aanklacht. Dat is een ander genre, dat wederhoor vraagt, kwantificering, en concrete schadegevallen. Die staan hier niet, en dat is een bewuste beperking en geen omissie.

Het is ook geen oordeel over individuele behandelaars. Alles is getoetst aan documenten: wetteksten, beroepscodes, reglementen, accreditatievoorwaarden, gepubliceerde uitspraken en de wetenschappelijke publicaties achterin. Bij elke bron staat vermeld hoe ver die controle reikte, of zij in de primaire tekst is gelezen, in een weergave, of alleen op vindplaatsgegevens is geverifieerd. Wie dat materiaal anders leest, kan dat beargumenteren op dezelfde stukken, en dat is precies de bedoeling.

En het is geen pleidooi om deze praktijken te verbieden. Het is een poging om zichtbaar te maken welke regels er gelden, wie ze stelt, en wie erop toeziet. Waar dat beeld ongunstig uitvalt, komt dat door de stukken en niet door de toon.

Over de status van de bronnen

Dit stuk verlangt van anderen dat zij zeggen waarop een bewering rust. Dan hoort het dat zelf ook te doen.

Woordelijk gelezen in de primaire tekst. Verordening 1924/2006, de artikelen 1, 3, 5, 6, 10, 12, 13, 14, 20 en 28 lid 5. Het Warenwetbesluit voedingssupplementen, artikel 6 eerste en derde lid, in het Staatsblad. De Nederlandse beleidsregel over de traceerbaarheidstermijnen. De dossierplicht uit het Burgerlijk Wetboek. Artikel 2, zesde lid, van het Warenwetbesluit informatie levensmiddelen in de actuele geconsolideerde tekst, en het voormalige artikel 20, tweede lid, onder a, van de Warenwet in de historische tekst, uitsluitend om de vroegere nationale vindplaats van het ziekteclaimverbod vast te stellen.

Gelezen in een betrouwbare weergave, niet in de officiële uitgave. De definities uit Verordening 178/2002, via een mededeling van de Europese Commissie. Artikel 8 lid 3 van Verordening 1169/2011, via een omzendbrief van het FAVV die het woordelijk citeert. De definitie uit de Geneesmiddelenwet, via het Staatsblad van 2007. En het volledige Belgische materiaal: de artikelen 3 en 122 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015, de koninklijke besluiten van 14 november 2003, 16 januari 2006, 3 december 2023 en die van 2021, en het ministerieel besluit van 22 januari 2004. Deze zijn geraadpleegd via reproductiesites en toelichtingen, niet via het Belgisch Staatsblad. Voor externe publicatie hoort dit deel te worden nagelopen door een Belgische jurist; dat staat ook zo in de slotnotitie.

Bevestigd via toezichtsdocumenten, niet uit de wettekst zelf. Artikel 2 van Richtlijn 2002/46/EG en artikel 6 van Verordening 852/2004.

Over de organisatie. Van de beroepscode zijn twee tekstuele versies aangetroffen, beide op websites van aangesloten praktijken en geen van beide op die van de vereniging zelf. De oudere versie, getiteld Beroepscode Maatschappij ter bevordering van de Orthomoleculaire Geneeskunde (MBOG), staat op ankecusters.nl, als bestand Beroepscode-MBOG.pdf onder /wp-content/uploads/2020/11/. Zij is integraal gelezen. Vindplaats: www.ankecusters.nl/wp-content/uploads/2020/11/Beroepscode-MBOG.pdf, geraadpleegd op 29 juli 2026 en opnieuw op 11 augustus 2026. Het bestandspad noemt 2020/11, maar dat zegt alleen iets over het moment van uploaden en niet over de datum van vaststelling. Het bestand is een tekstversie van matige kwaliteit, met zetfouten die op een scan of conversie wijzen, en zonder versienummer, datum of vaststellingsbesluit. De jongere versie, getiteld MBOG beroepscode orthomoleculair* zorgverlener; MBOG behandelaar genoemd, staat op praktijkwiersma.com onder /mbog-beroepscode/. Ook deze is integraal gelezen; ook zij draagt geen versienummer, datum of vaststellingsbesluit. Vindplaats: www.praktijkwiersma.com/mbog-beroepscode/, geraadpleegd op 29 juli 2026 en opnieuw op 11 augustus 2026. Dat zijn de vindplaatsen waar deze teksten publiek terug te vinden zijn; het zijn niet noodzakelijk de oorspronkelijke bronnen, en de praktijken die ze publiceren zijn hier uitsluitend als vindplaats vermeld en niet als voorwerp van het onderzoek. Een officieel vastgestelde en gedateerde versie is niet gevonden. De statuten en het huishoudelijk reglement zijn niet openbaar beschikbaar. De maatregelen en de gepubliceerde uitspraken van het tuchtcollege zijn nagezocht op de eigen site; een totaalcijfer van behandelde zaken publiceert het college niet. De positie van de accreditatie-instituten is nagezocht in hun eigen publieksinformatie.

Over de archivering. De bronnen hierboven die op een website staan, kunnen morgen wijzigen of verdwijnen. Van elk van die pagina’s staat hieronder de volledige vindplaats met de raadpleegdatum, in de meeste gevallen twee data: 29 juli en een hercontrole op 11 augustus 2026. Dat het risico niet theoretisch is, bleek juist bij die hercontrole: op de downloadpagina van het tuchtcollege werden nog twee reglementversies aangeboden waar er op 29 juli vier stonden. De documenten zelf bleken deels nog rechtstreeks op het domein te staan, maar dát er op 29 juli vier naast elkaar werden aangeboden, laat de pagina niet meer zien. Voor zo’n vaststelling over een moment in de tijd is een gedateerde archiefkopie de enige onderbouwing die standhoudt. Het betreft de twee ongedateerde kopieën van de beroepscode, de publiekspagina’s van de beroepsvereniging, de toelichtingen van de drie accreditatie-instituten op hun eigen accreditatie, het toelatingsprotocol en de publieksinformatie van het kwaliteitsregister, het standpunt van de brancheorganisatie en de gepubliceerde uitspraken van het tuchtcollege. Van deze bronnen zijn op het moment van schrijven geen gedateerde archiefkopieën vastgelegd. Dat staat er zo, omdat het onderscheid hier wezenlijk is: een raadpleegdatum zegt wanneer er is gekeken, een archiefkopie laat zien wát er stond. Voor gebruik binnen het vak volstaat de vindplaats met de datum. Wie dit stuk breder verspreidt of eruit citeert, doet er verstandig aan de genoemde pagina’s eerst via een publiek webarchief vast te leggen. In dit stuk wordt geen wederhoor gevraagd, wat die zorgvuldigheid alleen maar zwaarder maakt.

Wat hier niet staat. Individuele gevallen, schadecijfers en namen van personen of ondernemingen. Dat is een ander genre en het vraagt ander onderzoek.

Bronnen

De wettelijke bronnen zijn op 27 juli 2026 geraadpleegd; de organisatiebronnen en de wetenschappelijke publicaties op 28 en 29 juli 2026, tenzij anders vermeld. De status per bron staat in de vorige paragraaf.

Europese regelgeving

Nederlandse regelgeving

Belgische regelgeving

Toezichthouders en beroepsorganisaties

Wetenschappelijke publicaties

Deze lijst bevat uitsluitend publicaties die in de tekst daadwerkelijk worden gebruikt: Seidel en Barrett bij de haaranalyse, met Shamberger als tegenstudie; Stapel bij de IgG-test; het ANBOS-standpunt bij het levend bloedonderzoek; en Lundh bij de passage over financieringsbias. Een eerdere versie bevatte daarnaast vier publicaties die uit het bronnenapparaat van het handboek waren overgenomen en in dit stuk nergens werden aangehaald: over antioxidanten, vitamine E, hormesis en veilige bovengrenzen. Die zijn verwijderd. Ook een Duitse herhaling van het haaronderzoek uit 2002 is geschrapt: die was alleen op vindplaatsgegevens te verifiëren en niet op inhoud, en het hoofdstuk steunt zonder haar even goed. Een bronnenlijst die meer noemt dan de tekst gebruikt, wekt een dekking die er niet is. Per publicatie staat hierboven vermeld hoe ver de eigen controle reikte.

Belangenverklaring

Dit stuk beschrijft hierboven hoe een richtlijn tot stand komt, en welke belangen daarbij moeten worden verklaard. Dan geldt die maatstaf hier het eerst.

Naar het model van de code die bij richtlijnontwikkeling wordt gehanteerd, gaat het om twee soorten belangen over de afgelopen drie jaar. Directe financiële belangen: een betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, en onderzoeksfinanciering. En indirecte belangen: persoonlijke relaties met betrokken partijen, en reputatiemanagement: daaronder valt uitdrukkelijk ook het eigen belang bij de stellingname in dit stuk.

Wat hier in elk geval vermeld hoort te worden. De auteur is dermatoloog en daarmee BIG-geregistreerd, en heeft dus een positie binnen het stelsel dat in deel III als maatstaf wordt gebruikt. De auteur maakte deel uit van de werkgroep die de leefstijlmodules opstelde waarnaar in deel IV wordt verwezen; dat is een bron waaraan zij zelf meewerkte. Wie wil nagaan wat dat betekent, kan het lezen: haar belangen staan in de richtlijn zelf gepubliceerd, met hoofdfunctie, nevenfuncties, financiële belangen en het oordeel over hoe daarmee is omgegaan. Ook Huidopleiding.nl staat daarin vermeld. Dat is niet toevallig het bewijs van wat dit stuk elders bepleit: het is dezelfde procedure die hierboven wordt gemist bij de tests en de opleidingen, en zij is hier op de auteur zelf toegepast. De auteur schrijft daarnaast een handboek over huid-, haar- en nagelsupplementen, waaruit een deel van het bronnenapparaat van dit stuk afkomstig is, en heeft dus een publicatiebelang bij dit onderwerp. En dit stuk richt zich kritisch op een beroepsgroep die deels in hetzelfde veld werkt; dat is een positioneel belang en geen neutrale waarneming.

En wat er niet is. In de afgelopen drie jaar was er geen sprake van betrekkingen bij, opdrachten van, sprekersvergoedingen van of onderzoeksfinanciering door fabrikanten of leveranciers van voedingssupplementen, door laboratoria die de in dit stuk besproken tests aanbieden, door opleidingsinstituten in dit veld, of door beroepsverenigingen in de complementaire zorg. Dat staat hier omdat een lege verklaring iets anders is dan een ontbrekende: de lezer hoort te weten dat de vraag is gesteld en beantwoord.

En de logica erachter, want die maakt dit meer dan een formaliteit. Een belangenverklaring bewijst niet dat een stuk klopt en zij ontkracht het ook niet. Zij verplaatst alleen de vraag van vertrouwen naar controle: de lezer weet wat de schrijver te winnen heeft en kan het stuk dáárop lezen. Dat is precies wat dit stuk van de sector verlangt: dat wie een testpakket verkoopt en het advies erbij levert, dat zichtbaar maakt. Zo’n eis is onhoudbaar wanneer zij niet ook op de eigen tekst wordt toegepast.

Bijlage De regelcheck

Dit blad hoort bij deel III en is bedoeld om uit te delen of zelf in te vullen. Er staat nergens een oordeel over de vraag of een methode werkt: dat is bewust. De vragen zijn te beantwoorden met ja of nee, en dat is wat ze bruikbaar maakt. Wie er tien keer nee op moet antwoorden, heeft geen discussie over wetenschap voor zich liggen maar een lijstje met werk.

De verplichtingen hangen aan de handeling en niet aan een titel, een opleiding of een lidmaatschap. Wie nergens bij is aangesloten valt er dus even goed onder, meestal zelfs met minder hulp bij het regelen ervan.

Peildatum: 27 juli 2026. De regels in blok C en D rusten op Europese verordeningen die op onderdelen worden gewijzigd. Controleer ze opnieuw voordat je dit blad breed verspreidt.

Blok A Zodra je iemand onderzoekt of gezondheidsadvies geeft

Wat er geldt Waar het op rust Ja / nee / actie
Ik houd een dossier bij van wat ik heb onderzocht, geadviseerd en afgesproken De wet rekent het onderzoeken en het geven van raad om iemands gezondheidstoestand te beoordelen uitdrukkelijk tot de geneeskunst
Ik bewaar dat dossier twintig jaar, gerekend vanaf de laatste wijziging erin Eén datum voor het hele dossier, niet per aantekening
Mijn cliënt kan haar dossier inzien en er een afschrift van krijgen Inzagerecht; daarvoor hoeft zij geen reden te geven
Ik vraag toestemming en leg vast waarover ik heb geïnformeerd Informed consent is pas informed als vastligt wat er is verteld
Ik heb een onafhankelijke klachtenfunctionaris waar cliënten gratis terechtkunnen Verplicht voor iedere zorgaanbieder; de wet noemt alternatieve geneeswijzen uitdrukkelijk
Ik ben aangesloten bij een erkende geschilleninstantie Die instantie oordeelt bindend binnen zes maanden en kan tot in ieder geval vijfentwintigduizend euro toekennen
Ik weet waar ik een calamiteit meld Bij de inspectie, die ook toezicht houdt op zelfstandigen met eigen cliënten
Ik verricht geen handelingen die aan bevoegden zijn voorbehouden Een venapunctie is er daar één van, een capillaire vingerprik doorgaans niet; die grens hangt aan bevoegdheid en bekwaamheid, niet aan beroepsgroep
Ik voer geen beschermde beroepstitel en wek die indruk ook niet Titelbescherming
Ik verwerk gezondheidsgegevens volgens de privacyregels Gezondheidsgegevens zijn een bijzondere categorie met zwaardere eisen

Blok B Zodra je een test aanbiedt of laat uitvoeren

Wat er geldt Waar het op rust Ja / nee / actie
Ik kan uitleggen wat deze test meet en met welke betrouwbaarheid Zonder dat is de uitslag geen gegeven maar een indruk
Ik kan aantonen dat de stap van uitslag naar advies is onderzocht Dat een test iets meet, betekent niet dat de uitslag een ander advies rechtvaardigt
Ik kan zeggen wat er zou zijn geadviseerd zónder deze test Verschilt dat niet, dan heeft de test niets toegevoegd behalve een rekening
Ik stel geen diagnose en presenteer een uitslag niet als diagnose Ook signalering die als diagnose wordt gelezen, telt mee
Ik neem geen bloed af op een wijze die is voorbehouden Een brancheregel die een vingerprik toestaat, geldt alleen voor de leden van die branche

Blok C Zodra je supplementen verkoopt of doorlevert

Een voedingssupplement is een levensmiddel. Wie het verkoopt is exploitant van een levensmiddelenbedrijf. Daar staat geen ondergrens bij en geen omzetdrempel.

Wat er geldt Waar het op rust Ja / nee / actie
Ik ben geregistreerd bij de toezichthouder, per vestiging Registratieplicht voor levensmiddelenbedrijven; in Nederland jaarlijks te bevestigen
Ik heb procedures op basis van de HACCP-beginselen Verplicht voor iedere exploitant behalve de primaire producent, ook in de detailhandel
Ik kan van elk product aanwijzen bij wie ik het kocht, wanneer en hoeveel Traceerbaarheid: één stap terug en één stap vooruit
Die gegevens kan ik binnen vier uur aanleveren De termijn die de toezichthouder hanteert
Ik weet wie ik bel bij een terugroepactie, ook buiten kantooruren Om coulance buiten kantooruren is gevraagd en die is afgewezen
Ik lever geen product waarvan ik zie dat het etiket niet klopt De maatstaf is wat jij als professional hoort te zien; wie zich als deskundige presenteert, verhoogt zijn eigen maatstaf
Bij verkoop op afstand staat de verplichte etiketinformatie vóór de koop online Alleen een foto en een prijs volstaat niet

Blok D Zodra je iets over een product zegt of schrijft

Deze regels gelden voor elke commerciële uiting: etiket, folder, website, bericht op sociale media, kortingscode en affiliate link.

Wat er geldt Waar het op rust Ja / nee / actie
Elke gezondheidsclaim die ik gebruik staat als toegelaten in het EU-register Verboden tenzij toegelaten; zoeken of iets ergens verboden is, is de verkeerde vraag
Een algemene uitspraak over gezondheid gaat vergezeld van een specifieke toegelaten claim Goed voor je weerstand mag niet alleen staan
Ik verbind mijn naam, titel of foto niet aan een gezondheidsclaim bij een product Een claim mag niet verwijzen naar de aanbeveling van een individuele beroepsbeoefenaar. Dit is een verbod en geen afweging
Ik beweer nergens dat gewone, gevarieerde voeding tekortschiet Uitdrukkelijk verboden bij een supplement, zowel Europees als nationaal
Ik schrijf nergens dat een product een aandoening behandelt, voorkomt of geneest, en maak daar ook geen toespelingen op Dan is het geen claimovertreding maar een geneesmiddel zonder handelsvergunning; toespelingen tellen mee
Ik kan de onderbouwing van elke claim overleggen als daarom wordt gevraagd De bewijslast ligt bij wie de claim voert
Dit alles geldt ook voor mijn affiliate links en kortingscodes Een verwijzing met een gezondheidsuitspraak is een reclame-uiting, ook zonder eigen verkoop

Blok E En in België

De claim- en levensmiddelenregels van blok C en D zijn Europees en dus identiek. Wat verschilt is het toezicht en, veel belangrijker, de positie van blok A en B.

Onderwerp Nederland België
Onderzoeken en adviseren Toegestaan; de wet regelt hoe. De strafbepaling grijpt in bij schade of een aanmerkelijke kans daarop De geneeskunde is als geheel voorbehouden. Het gewoonlijk verrichten van handelingen die het onderzoeken van de gezondheidstoestand tot doel hebben geldt als onwettige uitoefening. Er is geen schade voor nodig
Het dossier Twintig jaar vanaf de laatste wijziging, ook zonder aansluiting Dertig tot vijftig jaar vanaf het laatste patiëntencontact, maar alleen voor erkende gezondheidszorgbeoefenaars
Klacht en geschil Klachtenfunctionaris en erkende geschilleninstantie Kwaliteitswet en Wet Patiëntenrechten, met de ombudsdienst
Verkoop Registratie bij de NVWA Registratie bij het FAVV, zichtbaar opgehangen, plus melding van bijwerkingen binnen tien werkdagen

Eén kanttekening bij die eerste rij: de Belgische omschrijving is ruim en over de precieze reikwijdte wordt daar gediscussieerd. Dit blad zegt niets over de handhaving; daarvoor zijn geen cijfers ingezien.

Hoe dit blad bedoeld is

Wie het uitdeelt, doet er goed aan hem eerst zelf in te vullen. Blok C en D gelden voor iedereen die verkoopt, ook voor de praktijk die dit stuk verspreidt.